Het publiek treiteren

Hij werd bedolven onder kritiek, maar Holland Festival-directeur Ivo van Hove is er wel degelijk in geslaagd het festival een ander gezicht te geven. Dit jaar neemt hij afscheid.

Denkend aan het Holland Festival zie ik geschoren paarden eindeloos door een piste van rode aarde draven. Dat was Zingaro, Frans circus met pretenties. En ik zie een hongerkunstenaar die zich onder oorverdovend lawaai door een smalle spleet wurmt. Renato Castellucci's rariteitenkabinet; Italiaans treitertheater met pretenties. Modieuze onzin.

Denkend aan de afgelopen zeven festivaljaren onder directeur Ivo van Hove zie ik ook de Valse Dimitri die bij een fontein aan zijn geliefde bekent dat hij een oplichter is. De geliefde wil er niets van horen. Zij leeft liever de opwindende leugen dan de grauwe werkelijkheid. Poesjkins Boris Godoenov; groots drama, het festival waardig.

Als morgen het Holland Festival wordt afgesloten, neemt directeur Ivo van Hove na zeven jaren afscheid. Hij wordt opgevolgd door Pierre Audi, artistiek leider van De Nederlandse Opera. Van Hove heeft het festival flink onder handen genomen, en hij werd bedolven onder kritiek. Op een haar na werd het zevenenvijftig jaar oude festival zelfs opgeheven. Maar was het inderdaad allemaal zo slecht?

Toen de Vlaming Ivo van Hove (1958), artistiek leider van het Zuidelijk Toneel en vervolgens van Toneelgroep Amsterdam, in 1998 aantrad, waren de verwachtingen hooggespannen. Hij was een gevierd en spraakmakend toneelregisseur. Het festival kon wel een frisse wind gebruiken. Onder Jan van Vlijmen was het een eenzijdig en in zichzelf gekeerd muziekfestival geworden.

Van Hove's eerste daad was grote schoonmaak houden. Hij verbrak de banden met de traditionele voorstellingleveranciers als het Nederlands Danstheater en het Concertgebouworkest. In één moeite door decimeerde hij het aandeel moderne en klassieke muziek. In plaats daarvan kwam veel theater met een snufje belegen popmuziek. In één klap vervreemdde hij het traditionele publiek van het festival. De muziekliefhebbers hadden geen goed woord meer voor hem over. Van Hove had hun mooie festival verpest.

Opdracht

Dat is waar, maar een verzachtende omstandigheid is dat het Van Hove's uitdrukkelijke opdracht was om het festival om te vormen tot theaterfestival, én tot een Van Hovefestival. De opzet van het festivalbestuur was om wisselende kunstenaars voor een bepaalde tijd een strikt persoonlijk festival te laten maken. Het Holland Festival moest niet meer op het Holland Festival lijken zoals we het kenden, maar op de tijdelijke samensteller.

Van Hove handelde dus in opdracht. Maar was het ook een goede opdracht? In zekere zin wel. Het Holland Festival heeft in de loop der jaren veel van zijn unieke positie verloren doordat er in het hele land altijd overal overvloedig podiumkunsten te zien zijn. Er is nu ieder weekeinde wel ergens een festival. Het heeft weinig zin om te proberen op te boksen tegen het muziekaanbod in Nederland. De functie van het Holland Festival is het reeds aanwezige aanbod aan te vullen, bijvoorbeeld met een nog grotere nadruk op buitenlands theater.

Van Hove heeft zich er redelijk van gekweten. Vooral het Duitstalige theater was goed vertegenwoordigd. Christoph Marthaler werd vaste gast, Jossi Wieler bracht een prachtige Alkestis in een uitvaartcentrum. Wijlen Einar Schleef imponeerde met zijn drammerige Salome. Thomas Ostenmeijer bracht een prachtige Norma. Maar hoewel Van Hove een paar keer raak schoot, met het mummietheater van Richard Maxwell en het esoterische doolhof Oraculos van Enrique Vargas bijvoorbeeld, had hij in de rest van de wereld een minder gelukkige hand van kiezen.

Inmiddels is het Holland Festival wat buitenlands theater betreft ingehaald door de Rotterdamse Schouwburg, die met de jaarlijkse reeks De Internationale Keuze voor veel minder geld een avontuurlijker aanbod brengt.

Een belangrijk doel dat Van Hove zich stelde, was het populariseren van het festival: het moest toegankelijk worden voor een breder en jonger publiek. Toen hij aantrad, sprak hij zijn afschuw uit over de heren in smoking die tot dan toe het festival zouden domineren. Hij begon een terras, danstent en restaurant in de Amsterdamse Stadsschouwburg, waarmee het festival een hart kreeg. Zijn aanpak werkte, er kwam meer en jonger publiek naar het festival, de drempels werden verlaagd.

Van Hove meende dat in zijn programmering de hoge (elitaire) en de lage (populaire) kunst vermengd moesten worden. Zo kon het gebeuren dat tapdanser Savion Glover en krukkendanser Bill Shannon met hun kunstje op het festival stonden, en het eerder genoemde paardencircus Zingaro.

Een ander middel om de lage cultuur binnen te halen was het programmeren van popmuziek. Op zijn eerste festival presenteerde hij bijvoorbeeld de Limburgse Texmex-band Rowwen Hèze en punkband De Heideroosjes. Ik denk niet dat de fans in popzaal Paradiso doorhadden dat ze op het Holland Festival waren. Hij bracht hommages aan het werk van Joni Mitchell, Frank Zappa en Brian Eno. Maar wat de wereldvreemde Van Hove niet wist, is dat sinds een jaar of veertig ook de popmuziek verdeeld is in hoge en lage cultuur. Zappa en Eno behoorden altijd al tot de hoge cultuur. En zijn overigens allang niet meer relevant in de popmuziek. En nieuwere gitaarbands als Sonic Youth en Zita Swoon waren buiten het festival toch wel te zien.

De belangrijkste bijdrage van Van Hove aan het festival is het programmeren van wat hij `onpure' kunst noemt; voorstellingen die verschillende kunstvormen samenbrengen. Dit is niet zo nieuw als Van Hove denkt, opera is bijvoorbeeld altijd een onpure kunst geweest. Maar inderdaad: `onpure kunst' is in de mode in de hele West-Europese podiumkunstwereld. Je zag het aandeel onpure kunst in de loop der jaren dan ook stijgen.

Geldgebrek

Juist wat onpure kunst betreft kan het festival nog iets betekenen. Een belangrijke aanvullende taak van het Holland Festival is het initiëren van voorstellingen die anders niet gemaakt zouden worden, omdat ze bijvoorbeeld te duur zijn. En juist `onpure kunst' is nogal duur. In een dubbelinterview in het festivalkrantje zei zowel de komende directeur Audi als de vertrekkende Van Hove dan ook dat dat hun grootste wens is: een festival met louter eigen producties. Helaas noopt geldgebrek tot het bijstellen van die droom.

Als er weer eens klachten waren over het rommelige, ondermaatse aanbod van het festival, verwees Van Hove graag door naar de geldschieters van de staat die in gebreke bleven. Dat deed hij ongetwijfeld om zijn eigen feilen te maskeren, maar hij had ook gelijk; de kwaliteit van het festival hing in de afgelopen jaren nauw samen met de subsidieperikelen. In 2001 trad het bestuur af omdat staatssecretaris Rick van der Ploeg (Cultuur) maandenlang geen toezeggingen over subsidie wilde doen. Hierna volgde een `noodeditie' in 2002, met slechts acht producties.

Maar daarna keerde het tij. 2003 was de meest succesrijke van Van Hove's jaren, met 2004 als goede tweede. Vorig jaar was de balans tussen muziek, dans en theater weer hersteld. Er zat een interessante serie enscenering van Schuberts liederen in, Met Trisha Brown, Anne Theresa de Keersmaeker en Pina Bausch had Van Hove voor het eerst sinds zijn aantreden een interessant dansprogramma dat zijn verder nogal lege credo `traditie van de vernieuwing' inhoud gaf. Dit jaar was er vooral veel nieuw muziektheater te zien, nieuwe opera's van moderne componisten als Francesconi, Vivier, Van der Putte, Raaff. Het toneel was zeer politiek getint, met stukken over asielzoekers en andere ontheemden: Children of Herakles, Médée Materiaux, Guerre.

Hoe kan het dat het festival vanuit een diepe crisis zo is teruggekomen? Van Hove begon blijkbaar naar het eind toe op stoom te raken. Maar de veranderingen ten goede kwamen vooral van buitenaf. Om te beginnen besloten rijk en gemeente de subsidie geleidelijk op te voeren tot 4,5 miljoen per jaar. Dat hielp; Van Hove kon weer interessante co-producties maken. Misschien nog belangrijker was de Commissie-Sorgdrager die in 2001 een kritisch maar opbouwend advies uitbracht: een evenwichtiger programma met meer dans en muziek en grote namen; Van Hove moest hiervoor kenners van buiten aantrekken. Eigenlijk precies hoe het vroeger was.

Dat heeft geholpen. Van Hove koos eieren voor zijn geld, hij liet zijn eigenzinnige plannen rusten, en hij liet geheide krakers als Pina Bausch en de Wooster Group aanrukken. Weinig avontuurlijk, maar ja, de avonturen van Van Hove liepen meestal toch niet zo gelukkig af. De hits van andere festivals wist hij wel te vinden, maar zelf de nieuwe Wooster Group of de nieuwe Pina Bausch ontdekken kon hij niet. Vanaf het moment dat hij braaf binnen de lijntjes ging kleuren, kreeg het festival weer enig aanzien.