Frans Kuipers

Eind dit jaar wordt de verkiezing van een nieuwe Dichter des Vaderlands georganiseerd. Het Cultureel Supplement publiceert wekelijks een gedicht om te helpen de gedachten te bepalen.

Als jij mij vraagt

wat in de wereld der kunsten

ik het mooiste,

het allermooiste vind,

dan zeg ik zeepbellen.

Dan zeg ik

kinderadem,

warme kinderadem,

in een fiberfijn kleurenvliesbolraam gevangen,

ten hemel varend.

Dan zeg ik

sieraden van iris,

rijksappels van het Gulden Vlies.

Zeepbellen,

onverwacht stukspattende zeepbellen,

niets achterlatend dan een minuscule druppel,

minder dan een traan, die ter aarde valt.

Zeepbellen,

planeetsgewijs zwevend in het licht.

Zeepbelplaneten,

waarop in voortdurende beweging zijn

ultramarijn-turquoise-rood-

oranje-geel-bruin-groen-

paars-blauw-indigo-violet-lila

werelddelen, rivieren en oceanen.

Dan zeg ik

woorden

van adem,

van warme mensenadem gemaakt,

ten hersens varend.

Dan zeg ik zeepbellen, dan spat ik als zeepbellen

achter jouw ogen uiteen.

Uit: Frans Kuipers, De tafel van de wind (uitg. Atlas, 2001).