Frans idee van Europa staat op het spel

Het komende referendum over een Europese Grondwet brengt Frankrijk en Duitsland veel meer in het nauw dan Groot-Brittannië, meent Larry Siedentop.

Het is een dooddoener dat een referendum over een Europese Grondwet Groot-Brittannië zal dwingen tot een keuze – en zelfs om zijn lidmaatschap van de Europese Unie te heroverwegen.

Maar is dat werkelijk zo? Als er ergens een crisis is over de aard en de richting van de Europese Unie, dan toch eerder in Frankrijk en Duitsland dan in Groot-Brittannië. Na zich tientallen jaren te hebben beschouwd als de hoeders van het Europese project, worden die landen nu geconfronteerd met een radicaal veranderde situatie, een situatie die vermoedelijk meer hún Europese geloofsbrieven op de proef zal stellen dan die van Groot-Brittannië.

Een combinatie van twee factoren heeft Frankrijk en Duitsland in het nauw gebracht. De eerste – die de Fransen altijd hebben gevreesd – is de uitbreiding. Deze zal naar alle waarschijnlijkheid de dominante positie van Frankrijk en Duitsland aantasten, en misschien op den duur ook de overheersende rol van Frankrijk in die cruciale relatie ondergraven. En het is niet alleen zo dat door de uitbreiding het zwaartepunt naar het Oosten is verschoven; ze heeft bovendien landen geïntroduceerd die, aangezien ze nog maar kort geleden uit het sovjet-imperium zijn bevrijd, geen zin hebben in een ondergeschikte positie in een nieuw imperium. Als volwaardige EU-leden zullen zij schaamteloos voor hun nationale belangen opkomen. Het zal veel moeilijker worden om het `Europese belang' aan te wijzen. Ieder beroep op dat belang zal veel sceptischer worden onderzocht.

Met name wat Pascal Lamy, de Europese commissaris voor de Handel, heeft omschreven als de Franse gewoonte om Europa als een groter Frankrijk te beschouwen, zal aan banden worden gelegd.

De tweede factor is de kloof tussen de publieke opinie in de lidstaten en het Europese project. De grenzen van een door een elite gedragen proces zijn bereikt. Uit opiniepeilingen – zelfs die welke zijn gehouden op instigatie van de Europese Commissie in Brussel – blijkt een verontrustend gebrek aan vertrouwen in de EU, waarbij soms zelfs een meerderheid betwijfelt of de Unie wel een goede zaak is. Gevoegd bij peilingen die lijken aan te geven dat de Duitsers liever zouden terugkeren naar de D-Mark, en bij de impliciete kritiek op Parijs en Berlijn die besloten ligt in de resultaten van de verkiezingen voor het Europees Parlement, moeten zulke cijfers de Franse en Duitse leiders wel het gevoel geven dat zij op dun ijs schaatsen. In dat licht bezien komt Jacques Chiracs schijnbaar ingrijpende verandering van standpunt over een referendum in Frankrijk nauwelijks als een verrassing.

De treurige waarheid is dat de versnelling van de integratie in Europa sinds eind jaren '80 niet gepaard is gegaan met een ook maar enigszins adequaat publiek debat over de aard van deze politieke onderneming en haar constitutionele implicaties voor de lidstaten. Als gevolg hiervan bevindt de Europese Unie zich in een legitimiteitscrisis. Dat is niet hetzelfde als een `democratisch tekort'. Een legitimiteitscrisis doet zich voor wanneer er geen in brede kring begrepen en aanvaard kader bestaat voor publieke besluitvorming. Dat is het probleem waar de EU thans mee zit.

De gewone mensen zullen misschien niet precies weten welk deel van de economische en sociale voorschriften nu uit Brussel komt, en niet van hun nationale parlement. Maar zij hebben wél in de gaten dat in de afgelopen twee decennia de macht van de nationale staten naar elders is verschoven. Dat besef versterkt de grootste afzonderlijke bedreiging voor het proces van de Europese intregratie: dat democratische politieke culturen worden verzwakt waar zij nu bestaan, in de nationale staten, zonder dat er iets voor in de plaats komt.

Dat gevaar hebben de leiders van de EU domweg niet voldoende serieus genomen. Het groeiende cynisme over de parlementaire regeringsvorm komt althans ten dele voort uit het gevoel dat de macht de nationale kiezers ontglipt.

Uitbreiding van de bevoegdheden van het Europees Parlement is geen oplossing voor dat probleem. Het Europarlement is er namelijk niet in geslaagd enige greep te krijgen op de publieke opinie, noch enig vermogen te ontwikkelen om in heel de EU opvattingen te mobiliseren of gestalte te geven. Maar het probleem van de Europese democratie zit nog dieper. Het lijkt wel of de nationale politieke klassen het bestaan van het Europees Parlement als excuus hebben gebruikt om zich van het Europese project te distantiëren. Die distantie heeft het beperkte gevoel dat het openbare leven in Europa onder democratisch toezicht staat, radicaal verzwakt.

Het referendum is een gevaarlijk werktuig om mee te regeren. Het moet niet lichtvaardig of al te vaak worden gehanteerd. Maar er zijn omstandigheden waarin het gebruik ervan gerechtvaardigd is; de toestand waarin Europa nu verkeert is er een van. De kloof tussen de publieke opinie en de praatjes van de EU is te wijd geworden. Zou men die kloof negeren en `doorzetten' met nog ambitieuzere projecten – wat na de Spaanse regeringswisseling vooral voor de Franse leiders zeer verleidelijk is –, dan zou dat het gevaar meebrengen van nog krachtiger en gevaarlijker nationalistische reacties.

Laten er dus maar zoveel mogelijk referenda worden gehouden. Het proces is nu net zo belangrijk als het resultaat. Op grond van een technocratische houding heeft de Europese Unie zich veelal geconcentreerd op resultaten, maar dat is niet de manier om in heel Europa een cultuur van instemming te creëren, die absoluut noodzakelijk is om te bereiken dat de Europeanen het gevoel krijgen dat zij niet de slachtoffers maar de geestelijke ouders zijn van wat er gebeurt.

De huidige crisis in de Europese Unie heeft minder met Groot-Brittannië te maken dan met Frankrijk. Dat land heeft de EU in haar huidige vorm gecreëerd, met alle goede en kwade kanten van dien. Maar nu staat de Franse conceptie van Europa op het spel. Hoe de Fransen in deze volksraadpleging zullen reageren, is verre van zeker.

Larry Siedentop is emeritus fellow van Keble College, Oxford. Dit artikel is eerder verschenen in de Financial Times.