Een oude jeugd aan de Amstel

De zeventiende-eeuwse in Spanje geboren joods-Amsterdamse koopman en schrijver Joseph Penso de la Vega en de hedendaagse zoon van een katholieke Amsterdamse handelaar in kaas zijn de hoofdpersonen van Guido Snels tweede roman De dichter en de dief. De twee personages hebben gemeen dat ze een hang hebben naar het poëtische. Ook zijn ze geen van beiden vies van het slijk der aarde. Samen figureren ze in een fascinerend literaire collage waaruit valt op te maken dat wezenlijke dilemma's en problemen van alle tijden en culturen zijn.

Don Joseph Penso de la Vega heeft echt bestaan. Hij leefde van 1650 tot 1692 en publiceerde in 1668 Confusion de confusiones, het eerste – en volgens deskundigen beste – boek ooit geschreven over de effectenhandel. Het bevat eengedetailleerde beschrijving in dialoogvorm van het functioneren van de beurs in Amsterdam, die De la Vega als één grote dievenbende bestempelde.

De slavist en vertaler Guido Snel (Amstelveen, 1972) laat in zijn roman De la Vega brieven schrijven aan zijn broer, waarin hij herinneringen ophaalt aan hun gemeenschappelijke jeugd aan de Amstel, verhaalt over de worsteling met wijlen zijn vader over zijn geloofsafval, zijn drang tot schrijven en de noodzaak als koopman de familie-erfenis te beheren. Hij voelt zich dichter, maar wordt als koopman gedwongen te leven als een dief. In hoeverre Snel letterlijk aan de biografie van de humanistische koopman-dichter heeft vastgehouden is onduidelijk, maar gezien de datering van diens laatste brief, twee jaar na De la Vega's overlijden, valt aan te nemen dat hij toch vooral een romanpersonage van hem heeft willen maken.

De andere hoofdpersoon is een jongen die opgroeit aan de Amstel in de jaren tachtig van de twintigste eeuw. Zijn voornaam rijmt op Fiedo (zoals Fidel Castro in de familie wordt genoemd) en de veronderstelling dat hij dus wel Guido zal heten is dan ook niet vergezocht. De meeste hoofdstukken over deze jongen zijn bovendien geschreven in de ik-vorm. Evenals Joseph de la Vega heeft deze eigentijdse ik-figuur een familiegeschiedenis hoog te houden. Zijn moeder heet namelijk Egmond en hij gaat ervan uit dat hij in directe lijn afstamt van Lamoraal Graaf van Egmont, telg van één van de oudste en meest gegoede Europese adellijke geslachten en in 1568 samen met Hoorne in Brussel onthoofd. Als kind ontleent het jongetje aan die vermeende afkomst een enorm ego. Ook voelt hij zich ver verheven boven zijn niet adellijke vader en diens verderfelijke handel. Hij wil leven voor muziek en literatuur.

Op een dag pikt hij op de Nieuwmarkt in Amsterdam de beurs die een toerist uit zijn zak laat vallen. Het voorval, waarvoor hij zich schaamt en dat hem doet twijfelen aan zijn eigen zielenadel, brengt een crisis te weeg die louterend werkt: zijn te grote ego krimpt tot kleuterformaat. Ineens past hij weer in het kinderzitje op de fiets van zijn vader, tegen wie hij alsnog gaat opzien.

Het geworstel met het eigen geweten, de vraag waar bepaalde slechte eigenschappen vandaan komen, de onmogelijkheid je van je afkomst los te maken, spreekt ook uit de brieven van De La Vega, waarmee de hoofdstukken over de hedendaagse ik worden afgewisseld. In zijn brieven vertelt de beurshandelaar over zijn huisknecht Egmont, ook al een vermeende afstammeling van de vermaarde graaf. Deze Egmont beweert dat Lamoraal in zijn laatste nacht een kind heeft verwekt bij een wasvrouw die `zakken rolde bij de vleet'. Kennelijk zijn de volgende generaties Egmont erfelijk belast.

De la Vega zelf blijft kinderloos en is daar blij om, want kinderen (en ouders) kunnen een vloek zijn: `Ik beklaag mijn vader om de zoon die hij had, maar ik beklaag hem ook om de vader die hij was.' Evengoed is hij wel benieuwd wat er van Egmonts kroost, die hij als zijn stiefkinderen beschouwt, terecht zal komen.

Hoe het één, twintigste-eeuwse, nakomeling van Egmont vergaat, staat in De dichter en de dief, dat een moderne uitvoering lijkt te zijn van een boek dat De la Vega zélf had willen schrijven. In diens literaire nalatenschap bevindt zich namelijk een onvoltooide `novella' over zijn huisknecht Egmont, waar hij bij aantekent: `Talloze pogingen heb ik gewaagd. Tenslotte gaf ik de moed op. [...] Ik heb mijn pen niet achter de formidabele paradox kunnen krijgen van de simpelheid en de complexiteit die Egmont is.'

Een formidabele paradox, dat is de juiste kwalificatie voor deze simpel ogende maar complexe roman. De dichter en de dief is rijk aan historische vergelijkingen, zit vol met relevante literaire, muzikale en schilderkundige verwijzingen, herbergt een schat aan intrigerende thema's en is, vooral waar het de gefingeerde zeventiende-eeuwse brieven betreft, adembenemend mooi geformuleerd. Guido Snel laat De La Vega opmerken dat hij zijn novellas heeft geschreven in de hypotypose, de stijlfiguur die aan het woord zoveel levendigheid geeft dat de lezer de beschreven handelingen voor zijn ogen ziet gebeuren en de personages ontmoet als waren het levensechte mensen. Dat is wat Snel ook lijkt na te streven en dat is hem met deze roman gelukt.

Guido Snel: De dichter en de dief. Cossee, 221 blz. €18,90

    • Elsbeth Etty