Deze noot op deze noot

Volgens Marcel Proust waren de enige echte paradijzen verloren paradijzen. Wie het daarmee eens is, zal niet opkijken van de ontertitel bij Peter Cornells De paden naar het paradijs. Die luidt namelijk: `Noten bij een verloren manuscript'. Het paradijs is, ook als manuscript, verloren, afwezig, en zo hoort het ook. Het enige wat we hebben zijn de paden ernaartoe, bij Proust in de vorm van een madeleine of een stoeptegel, hier in de vorm van een collectie losse noten die de verbeelding prikkelen.

Peter Cornell is professor aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Stockholm. Atte Jongstra kwam zijn merkwaardige boekje jaren geleden in een boekwinkel tegen, raakte gefascineerd en vertaalde het. Hoezeer hij zich zelf door Cornell heeft laten inspireren, bewijst het eveneens geheel uit noten bestaande verhaal `Hengelen naar de kern' in zijn bundel Cicerone. Voor alle duidelijkheid: die kern is er niet, net zo min als het paradijs, dat ook een soort kern heet te zijn. Oftewel `het centrum van de wereld', de plek waar Adam en Eva zijn geschapen, of – poëtischer uitgedrukt – de `kosmische navel'.

Al associërend baant Cornell zich een weg door de literatuur die zich rondom het onderwerp heeft opgehoopt. Van het paradijs komen we op Jeruzalem, van Jeruzalem op het labyrint, maar ook op pelgrimages en kruistochten; van kruistochten komen we weer op tempeliers, en ga zo maar door. In zijn nawoord laat Jongstra het woord `betrekkingswaan' vallen. Daarmee is de methode van dit boekje goed aangeduid. Alles hangt met alles samen, maar het is uiteindelijk de lezer die door middel van zijn eigen fantasie en associatievermogen de verbindingen moet leggen.

Veel van de noten bestaan, zoals meestal, uit literatuurverwijzingen. Van Freud tot Eliade en van Nerval tot Derrida worden auteurs opgevoerd die op de een of andere manier iets hebben geschreven dat bij het steeds ontsnappende onderwerp past. Maar de meest opvallende draad in dit boek (dat zelf voor de lezer ook een soort labyrint wordt) bestaat uit het surrealisme. Telkens weer klopt Cornell aan bij Breton en Aragon, en bij hun dwaaltochten door werkelijkheid en verbeelding op zoek naar het paradijs van de surréalité.

Een goede tweede is Mallarmé, wiens levenslange geworstel met `Het Boek' een vergelijkbare queeste is geweest. Het kost Cornell geen enkele moeite Mallarmés aantekenigen voor dit Boek, een reeks bizarre calculaties, te verbinden met `de complexe maataanduidingen in Ezechiëls visioen van de tempel'. En dan zitten we binnen de korste keren weer in Jeruzalem.

Jongstra heeft Paden naar het paradijs niet alleen in aanstekelijk Nederlands vertaald, hij heeft het ook aangevuld met een eigen serie noten. Niet tussen de noten van Cornell in, al lezen we dat hij de aanvechting daartoe soms ternauwernood kon onderdrukken, maar achteraf. Ze dienen ter verklaring van zaken die Zweedse lezers op eigen kracht weten, maar Nederlandse lezers niet. En om – als voorbeeld dat navolging beoogt – te demonstreren hoe de associaties van Cornell zich door een geïnspireerde lezer laten uitbreiden. Aangezien het paradijs toch onbereikbaar is: tot in het oneindige.

Peter Cornell: Paden naar het paradijs. Noten bij een verloren manuscript. Vertaald door en met een nawoord van Atte Jongstra. Athenaeum – Polak & Van Gennep, 154 blz. €14,95