De wolkenwerelden van weleer

Hoe levend is een dode dichter? Dante en Shakespeare voeden nog altijd de drukpers, maar hoe gaat het met ons vaderlands erfdeel? Zijn Vondel en Gorter nog leesstof voor vwo'ers? Het antwoord op zulke vragen stemt somber, maar er zijn uitzonderingen. Nu en dan is er ook een uitgever die de tegenwind tart. Dit jaar doet Meulenhoff dat met een kolossale heruitgave van het dichtwerk van A. Roland Holst (1888-1976).

Holst zelf was er niet zeker van dat zijn poëzie zou beklijven. `Grote' dichters waren, vond hij, niet meer van `een tijd waarin alleen wat hol is nog sonoor klinkt'. Kort voor zijn overlijden uitte hij zijn twijfel over de literaire traditie nog in het kwatrijn `Onzeker'. Daarin vroeg hij zich af of de zangen die ooit klonken uit `de wolkenwerelden van weleer' nog wel ergens werden aangeheven. En in zijn laatste bundel, Voorlopig (1976), zette hij in het gedicht `Wie weet?' een vraagteken bij de overlevingskansen van zijn eigen werk:

Weldra leg ik mijn pen

voor altijd neer en staar

naar wie ik was en ben

en blijf tot aan de baar.

Al hoop ik dat mijn taal

mij overleeft, wie weet

loopt een te lang verhaal

dood in oud lief en leed.

`De Prins der dichters' werd hij wel genoemd, en dat epitheton paste bij de verheven taal van veel van zijn verzen. Die taal zal ook in de vorige eeuw niet iedereen hebben aangesproken. Illustratief is zijn tekst op het Nationaal Monument op de Dam (`Nimmer, van Erts tot Arend'). Die tekst vergt close reading en staat dus haaks op de haastige geest van het nu.

Maar wie op een rustig moment zijn Gedichten 1911-1976 in handen neemt en gaat lezen, wordt nog altijd beloond. Roland Holst schreef poëzie die niet overtuigen wil maar meeslepen en betoveren. In zijn eerste bundel, Verzen (1911), klinken nog echo's van Gorters Mei, maar de fundamenten van de uiteindelijke thematiek zijn al zichtbaar. Verbond Gorter de natuur en het goddelijke nog in een eigentijds decor, voor Roland Holst waren natuur en geest elementen van een ver, Keltisch gekleurd verleden. Veel van zijn verzen uiten het verlangen naar die voortijd, en het jargon van dat verlangen lag van meet af aan vast. `Wind', `zee', `zwerven' en `dromen' waren sleutelwoorden, met als tegenpolen `kust' en `kind'. Zoals een kust van nature in zichzelf verzonken is, was ook het kind `eenzelvig' – net als een dichter die, aldus Roland Holst, in afzondering moet scheppen. `Ik blijf erbij', schreef hij in `De twee deuren' in Onderweg (1940):

Ik blijf erbij, mijn hele leven:

er deugt geen woord of 't is vanuit

alleen zijn met mijzelf geschreven.

Eenzelvig en volstrekt eigenzinnig. Zulk werk laat zich moeilijk doorgronden. Gerrit Komrij nam in zijn bloemlezing tien verzen van Roland Holst op, maar zijn essaybundel In Liefde Bloeyende biedt opmerkelijk genoeg geen analytische rechtvaardiging van de keuze. Een pregnante typering is ook elders lastig te vinden. Jan van der Vegt, die Gedichten 1911-1976 samenstelde, publiceerde drie jaar geleden een biografie van Roland Holst waarin leven en werk in een helder verband zijn gezet, maar ik geef de voorkeur aan de karakterisering door Nijhoff. De poëzie van Roland Holst, stelde hij in 1948, gold een strijd tegen de verstedelijking van natuur en mensheid. Die strijd werd vanuit een voortijd gevoed en gevoerd, en Roland Holst was `een keel' van het volk uit die voortijd. Nijhoff vond hem onze grootste levende taalmeester. `Zijn werk,' schreef hij, `is visionair, is mystisch. Hoe ziet hij de wereld en hoe doet hij haar zien? Steunend op primaire mythologie en Oswald Spenglers Ondergang van het Avondland, verwerpt hij alle moderne theologie, politiek en maatschappijleer als onmanbare ontaardingen. De moderne intellectualistische wereld heeft de aanvankelijke schoonheid der schepping verraden en de schoonheid, van haar kant, heeft zich buiten de wereld teruggetrokken en wordt nog slechts ervaren door de `eenzelvigen' of als geluksstaat voorbij de dood. De hierdoor ontzield geraakte samenleving der stervelingen voltrekt door terreurs en oorlogen het eindoordeel over zichzelve.'

Zo'n interpretatie draagt zeker bij tot een beter begrip van onpeilbare verzen als in Een winter aan zee (1937), maar ook wie de mythologiserende wereldbeschouwing van Roland Holst niet deelt kan van zijn poëzie genieten. Een van zijn mooiste gedichten vind ik `De nederlaag' uit De wilde kim (1925). Het is een raadselachtige vorm van zelfconfrontatie die daarin plaatsvindt, een ontmoeting met de naaste zielsverwant die zich niet aan de `ik' gebonden acht. Cryptisch, maar de inzet is al Holstiaans betoverend:

Neervlagend kwam een herfstdag om zijn

eenzaam einde,

toen bovenaan een plek waar het oud duin

omheen

ervan te weten leek en de zee vlakbij dreunde,

hij, die ikzelf had kunnen zijn, aan mij

verscheen.

De zesendertig volgende regels beschrijven de ontmoeting, waarna de hoofdpersoon nog veertig Danteske regels heeft om thuis te komen.

Donker viel de wind binnen; meeuwen

schreeuwden; dromen

waren weer dromen, lege dromen; ik beklom

langzaam hetzelfde duin vanwaar ik was

gekomen,

en zag ten top nog eenmaal naar den einder

om:

Maar de tocht huiswaarts verloopt niet zonder onrust. De `vergeten engelen der wrake', schaduwen en het smekend zingen van `den vluchtberg van de zielsbevreesden' zitten het personage van `De nederlaag' op de hielen:

[...] De verlaatnen

haalden mij in, zagen mij aan – `de keuze! nu!'

fluisterden zij, 'de keuze' en ik zag hun

gelaten:

mijzelf, mijzelf; en zij verdwenen, veeg en

schuw,

uiteen; en dalend naar waar ze aan mijn oog

ontkwamen

hervond ik de eerste bomen der bekende streek,

het pad; de weg; 't gehucht; het lege huis;

de kamer

en de deur, die dichtwoei; stilte; de vale blik

der ramen, en recht tegenover hen de hoge

spiegel, met nog laat licht; in het ontzettend

glas

een hoofd; en mijn koud hoofd ervoor, en

toegebogen,

alsof het niet geloven kon, dat ik dat was.

Lichtvoetigheid is in de poëzie van Roland Holst niet of slechts met een leesloep te vinden. Een uitzondering is de luchtige elegie voor zijn hond Ramses, maar in het gros van het werk heerst een ernstige grondtoon. Zeker in de latere verzen, waarin ouderdom en dood soms ontroerend de toon bepalen, zoals in `Laatste weerzien met Gerrit Achterberg'.

Als alle dichters van het profetische type hield Roland Holst de ironie angstvallig buiten zijn verzen; maar hoe anders was dat in zijn dagelijkse omgang. Daarin kon hij met dolzinnige flair het werk van voorgangers typeren. De taal van Vondel werd dan `een grandioos orgel, maar de organist kon beter'.

Het eigen orgelwerk is nu weer in een fraaie vormgeving verkrijgbaar. De voorgaande editie van de Poëzie verscheen haast een kwart eeuw geleden bij Van Oorschot. Daarin was consequent gekozen voor de tekst van de eerste druk van de bundels. Jan van der Vegt daarentegen verzamelde de laatste door Roland Holst zelf gecorrigeerde en geautoriseerde versies. Gedichten 1911-1976 biedt het werk dus in zijn definitieve staat: van Verzen tot Voorlopig, met als tintelende intermezzi Swordplay-Wordplay (een kwatrijnenstrijd met S. Vestdijk) en vertaalde gedichten van W.B. Yeats.

A. Roland Holst: Gedichten 1911-1976. Meulenhoff, 983 blz. (geb.) €59,90