De doorzonmadonna

Eerste bloei heet het nieuwe boek van Peer Wittenbols (Bergen op Zoom, 1965). Maar het is welgeteld zijn derde debuut. De huisauteur van Toneelgroep Oostpool schreef zijn eerste toneelstuk, Zeestuk, in 1994; er zouden er achttien volgen, de meeste wemelend van de ontspoorde personages. Hij publiceerde zijn eerste dichtbundel, Slaapschuld, in 2001, en werd ermee genomineerd voor de C.Buddingh'-prijs voor nieuwe Nederlandse poëzie. En nu debuteert hij dus als prozaschrijver, met een bundel verhalen die variëren van ultrakort tot middellang.

Bij zijn debuut als dichter werd Wittenbols door de critici onthaald op vergelijkingen met zijn toneelwerk. Zo werd zijn poëzie in deze krant omschreven als `een theatrale greep naar epiek', en raadde de recensent de lezers aan om Slaapschuld hardop lezend tot zich te nemen. Het ligt voor de hand om ook Wittenbols' verhalen in het verlengde van zijn toneelstukken te beschouwen. Je komt dezelfde soort desolate figuren tegen – doodzieke sloebers, masochistische pubers, hopeloze ouders – en ook de stijl, gekenmerkt door verhaspelde spreektaal en humoristische compactheid, herinnert aan die van familiedrama's als Noordeloos (1997) en Zullen we het liefde noemen (2002). Daarbij is het titelverhaal van Eerste bloei, over een meisje dat gek wordt van jaloezie als haar vriendje voor drie weken met vakantie gaat, een bewerking van het gelijknamige toneelstuk dat vorig jaar in Arnhem werd opgevoerd; terwijl een ander verhaal, `Stabat Mater', vorig jaar zijn première beleefde op het toneel.

Maar Wittenbols' verhalen kunnen heel goed op zichzelf staan, en `Stabat Mater' is daar een mooi voorbeeld van. De 17 bladzijden tellende minitragedie, over de eenzame Grada die in het reine probeert te komen met de zelfmoord van haar zoon Tommie, is verdeeld in zes delen die een vrijdag beschrijven waarop de moeder de begraafplaats bezoekt. Het verhaal is in de derde persoon enkelvoud geschreven, vanuit het perspectief van de vrouw, en stukje bij beetje krijgt de lezer de waarheid achter het verdriet te horen. De jongen blijkt een onaangepast moederskind van in de veertig; hij kon niet van de kleine meisjes afblijven; en onder zijn matras vond Grada een stapel vieze boekjes die ze niet eens durft weg te gooien. `Als je nou alles zo goed voorbereidt,' zegt ze aan het graf van haar zoon; `je mooie pak, dat je hebt aangetrokken... de lieve brief die je me schrijft... dat je een uur van tevoren naar de kapper gaat... de plastic zak... het fabrieksplakband... is het dan te veel gevraagd eerst die vuiligheid de deur uit te doen?'

De teneur is triest, ook al eindigt het verhaal zogenaamd gelukkig, omdat er in het graf naast Tommie een jonge vrouw komt te liggen die helemaal naar de zin van Grada is. Maar het is allemaal met een trefzekere lichtheid opgeschreven. De gruwelijkste dingen komen in Eerste bloei aan de orde, van een abortus zonder privacy en de gifdood van een rattenmoeder tot de hypochondrie van een jong meisje en de dubbele ontrouw van een theaterdocent. En toch ontlokt Wittenbols je herhaaldelijk een (grim)lach; door laconieke beschrijvingen als `Jannah was geen dertig meer en ze was ook haast geen veertig meer', of door licht-absurde wendingen als `,,Ik ben er'' wilde ze zeggen, en dat deed ze toen maar.'

Het vreemde universum van Eerste bloei, waarin een weggelopen vrouw een niet-bestaande treinreis maakt en Maria bloed huilt in een doorzonwoning, doet denken aan dat van Alex van Warmerdam. En zoals de regisseur van Abel en De Noorderlingen in zijn films een overgestileerd beeld geeft van de vroege jaren zestig, zo schildert Wittenbols in sommige van zijn verhalen de oranjebruine jaren zeventig: Status Quo in de kroeg, Starsky & Hutch op tv, skai in de treincoupé. Maar Wittenbols is nog grimmiger, en vooral smeriger dan Van Warmerdam. De kroegtijgers uit het openingsverhaal (`Ram-Aap'), de vader en zoon uit `De jonge dood', en zelfs de schoffies uit `Mirella Wolf voelen' – allemaal hebben ze hun onschuld allang verloren. Misschien ligt het daaraan dat het me moeilijk viel om de bundel verhalen in één keer uit te lezen. Na een of twee doses Wittenbols heb je wel weer voor even genoeg. Op de bijsluiter zou moeten staan dat Eerste bloei niet al te gulzig genoten dient te worden.

Stilistisch lijkt Wittenbols een hommage te brengen aan Bordewijk – althans aan de Bordewijk van Bint, met zijn voorliefde voor afgebeten zinnen, groteske beschrijvingen, uitzinnige namen (Hoekloos, Heesbeen, Wuydts) en alinea's van gewapend beton. Wat Wittenbols van de oude meester onderscheidt is zijn voorliefde voor woordsamenstellingen als `kwijlziedendwoest' of `ogendichtdonkere nacht' en voor een merkwaardige variant van de Nederlandse spreektaal. `Fascist, met je geen telefoon en met je geen post' schrijft het pubermeisje aan het vriendje dat maar niets van zich laat horen. `Het is altijd wat, in Amerika of Afrika of allebei', luidt het commentaar van een kroegtijger op het televisienieuws. Wittenbols, dat mag duidelijk zijn, kan veel met taal. Of hij ook het vermogen heeft om op de langere baan (als novelle- of romanschrijver) te boeien, moet nog blijken. Er is reden genoeg om uit te kijken naar zijn vierde debuut.

Peer Wittenbols: Eerste bloei. De Arbeiderspers, 158 blz. €14,95