Bouwen met schuim

Met zijn trilogie `Sferen' wil de Duitse filosoof Peter Sloterdijk het heden in gedachten vatten. Bij de verschijning van het laatste deel is de vraag wat dit voor boek is: een parodie, een verbluffende show of briljant illusionisme?

Wie het zojuist verschenen dikke derde deel van Peter Sloterdijks Sphären uit heeft, krijgt er in de nakomende vijfentwintig pagina's meteen de eerste recensie bij. Een macro-historicus, een literatuurcriticus en een theoloog kibbelen over het boek in een door Sloterdijk geënsceneerd gesprek, rechtstreeks weggelopen uit zijn eigen filosofische praatprogramma op de Duitse televisie. Wat is het eigenlijk voor een boek, zo vragen de drie zich af: een megalomane geschiedenis van de mensheid, een theologische afrekening met het monotheïsme, een voorbeeld van overladen filosofische stijl, of juist een parodie op dat alles?

Die epiloog is een laatste goocheltruc van Sloterdijk, Duitslands meest aanstootgevende denker en tegelijk de tovenaarsleerling van de hedendaagse filosofie. Beroemd en berucht werd hij vijf jaar geleden na zijn rede Regels voor het mensenpark, waarin hij nadacht over de mogelijkheid van menselijke gen-manipulatie, waarna hij prompt voor cryptofascist werd uitgescholden. Een tovenaarsleerling bewees hij zich met het Sphären-project. Daarin blijft de gen-problematiek opmerkelijk genoeg buiten beschouwing. Zijn ambitie is met deze studie niets minder dan de eigen tijd in gedachten te vatten, zoals tweehonderd jaar voor hem de filosoof Hegel had gedaan. En net als de laatste had hij daar zeer veel bladzijden (in zijn geval 2500) en een lange omweg langs de hele menselijke wordingsgeschiedenis voor nodig.

Zoiets wordt in wijsgerige kringen maar matig gewaardeerd. Sinds de filosofie zich spiegelt aan de natuurwetenschappen, houdt ze zich voornamelijk bezig met detailonderzoek in tijdschriftartikelen waar het schrijfplezier niet bepaald van afspat. Bij Sloterdijk is alles groot, gretig, breed en overdadig. Hij beweegt zich op de meest uiteenlopende terreinen, van architectuur tot theologie en van krijgskunde tot klimatologie. Zijn taalvirtuositeit leeft zich uit in barokke neologismen en een verbluffende stijl, waardoorheen Sloterdijk een verrassende simpele gedachte probeert duidelijk te maken – die niettemin belangrijk genoeg is om wat versiering te rechtvaardigen.

In den beginne is niet het individu, maar is de twee-heid: dat is Sloterdijks uitgangspunt. Een mens kan pas bestaan, wanneer er een omgeving is die hem dat mogelijk maakt. Beide zijn op elkaar aangewezen, want de mens die gemaakt is door zijn Umwelt zet die laatste op zijn beurt naar zijn hand. Hij schept (of herschept) een ruimte om zich heen die hem beschermt tegen bedreigingen van buitenaf. Die immuun-sfeer, zoals Sloterdijk haar noemt, vormt een fysieke plaats en de vormen daarvan worden beschreven in de twee eerste delen van het Sferen-project, die vorig jaar in een verkorte Nederlandse editie in één band zijn verschenen.

Al in de baarmoeder is de foetus niet alleen. Hij is er met en dankzij de placenta en de aanwezigheid van de moeder die zijn eerste milieu is. Dat zet zich voort in de kring van clan, familie en de twee-eenheid van het paar, maar ook in de omheining van de stad en de omarming van de staat en de natie. Het grootst wordt die veilige sfeer wanneer het goddelijke eraan te pas komt. De hele wereld vormt een kosmos die ligt in Gods hand, waarin het mensenbestaan zich geborgen weet. Er is een geruststellend middelpunt dat alles draagt, behoedt en binnen zijn bolvormige sfeer zijn vaste plaats geeft. Dat is het uitgangspunt van de theologie en de klassieke metafysica, die Sloterdijk de ronde rede noemt.

Niet wat de mens is maar waar hij is, is volgens Sloterdijk dan ook de beslissende vraag van de filosofie. Hij is wat zijn omgeving hem toestaat te zijn, inclusief zijn mogelijkheden om dat milieu te manipuleren. Sferen is dan ook allereerst een polemiek met het liberale individualisme, dat in de zelfbewuste eenling het criterium en uitgangspunt van alles ziet. Wie zo denkt, stelt de wat?-vraag, want wat het individu is wordt dan allesbepalend. Maar hij moet vervolgens wel constateren dat hij nooit meer uit zijn puntvormige `ik' weg komt. In het liberalisme komen het sociale en fysieke leefmilieu hoogstens voor als instrumenten van het `ik' en zijn eigenbelang, niet als de medescheppers daarvan.

Probleemloos is dat allemaal niet gebleven. De allesomvattende globe van God en vaderland is uiteengespat. De wereld is pluriform geworden in moraal, godsdienst, gebruiken en gezag. De globe is veranderd in het schuim van een plurale wereld, waarin kleine cellen met hun specifieke eigenaardigheden zich tegen elkaar aandrukken, zonder dat er in het geheel nog een vorm of middelpunt te ontdekken valt. Het individu kan het weliswaar nog steeds niet stellen zonder `immuunsfeer', maar dat is nu zijn eigen sfeer geworden, afgestemd op zijn eigen luimen en voorkeuren. Ieder leeft in zijn eigen cel, afgesloten van de anderen, als in een appartementsgebouw met als bewoners louter singles.

Met die vaststelling begint Sphären III, waarmee Sloterdijk na zijn lange historische en antropologische omweg eindelijk is aangekomen bij zijn Hegeliaanse voornemen het heden in gedachten te vatten. Is er met het schuim worden van de wereld nog een sociale sfeer mogelijk die verder gaat dan het naast elkaar leven van buren in hun huurflat? En hoe stevig is dat postmoderne schuim: biedt het een afdoende bescherming tegen bedreigingen van binnenuit en van buitenaf?

Wat dat laatste betreft, zet Sphären III pessimistisch in. De inleiding is een lange beschouwing over het moderne terrorisme, die al eerder afzonderlijk onder de titel Luftbeben verschenen is. Kenmerkend voor het terrorisme, dat Sloterdijk laat beginnen met de gasaanvallen tijdens de Eerste Wereldoorlog, is dat het niet direct het slachtoffer aanvalt, maar de `immuun'-sfeer waarin hij kan leven. De voorwaarden ervoor werden geschapen door de `officiële' oorlogvoering, maar ook door het wetenschappelijk onderzoek dat de voorwaarden voor het menselijk leven steeds verfijnder wist bloot te leggen of te `expliciteren', zoals Sloterdijk het noemt. Wie weet wat een mensenleven nodig heeft, weet meteen ook hoe het kan worden vernietigd.

Onderhuids spreekt er uit Sloterdijks inleiding dan ook een zekere ambiguïteit jegens de wetenschap. Hij deelt die met de filosoof Heidegger, door wie hij zich ook veelvuldig laat inspireren wanneer het erop aan komt de verwevenheid van mens en wereld te onderstrepen. Maar wanneer hij zijn beschouwing over het terrorisme heeft afgesloten, verdwijnt die reserve en distantieert Sloterdijk zich scherp van iedere pessimistische cultuurkritiek. Met zijn grote voorbeeld Nietzsche zoekt hij een `vrolijke wetenschap' die de dood van God en het wegvallen van de alomvattende sfeer als een bevrijding begroet. Hij weigert in wrok achterom te kijken naar een verdwenen `Heimat' en omarmt het schuim van de pluralistische wereld als de belofte van een nieuwe tijd.

Zonder dubbelzinnigheden gaat ook dat niet. De eenling in zijn cel, de single in zijn appartement, leeft afgesloten van anderen en is geheel op zichzelf gericht, schrijft Sloterdijk. Zijn vereenzaming wordt gecompenseerd door een steeds aandachtiger zelfexploratie, waarbij hij in zichzelf onvermoede rijkdommen ontdekt. Had Sloterdijk in Sferen I al, half-ironisch, de lof gezongen van de navelstaarderij, hier moet hij niettemin erkennen dat een dergelijke gerichtheid op de eigen beleving iets van onanie heeft. Zelfs de relaties die zijn eenling met anderen onderhoudt, worden tenslotte gereduceerd tot de sensatie die dat voor hem teweeg brengt.

Maar die individuele sferen mogen dan gesloten zijn, ze delen wel hun gezamenlijke wanden, stelt Sloterdijk vervolgens vast. De isolatie is altijd een co-isolatie, zoals in gehorige flatgebouwen nogal eens pijnlijk duidelijk wordt. Volledig `wereldloos' kan een individuele `cel' niet zijn, des te minder omdat de schuimvormige stad (die de wereld van de toekomst vormt) niet alleen bestaat uit wafelvormige appartementsgebouwen. Ze voorziet ook in publieke ruimten waarin de vereenzaamden hun gelijkgezinden ontmoeten.

De stadions waarin dezer dagen het Nederlandse volk één wordt achter Oranje, hebben daarin niet Sloterdijks grootste sympathie. Ze maken de individuen tot massa, en dat woord (dat eigenlijk `deeg' betekent) roept met zijn suggestie van kneedbaarheid onaangename herinneringen wakker. Liever neemt hij de `koele' verzameling van het congres tot model. Mensen komen bijeen op grond van gemeenschappelijke interessen en sluiten zich aaneen tot groepen die meer of minder duurzaam zijn. `Het sociale' herstelt zich zo op basis van keuze en vrijheid, zonder bij voorbaat gedecreteerd of opgedrongen te zijn.

Prachtiger nog klinkt Sloterdijks visie op de toekomststad, dat in Constants Nieuw Babylon zijn beste model vindt. De mens wordt daarin niet minder dan een `installatie-kunstenaar', vrij om `de constructie van zijn omgeving steeds opnieuw te beginnen, zonder door vroegere sedimentaties gebonden te zijn.' De voorwaarde daarvoor is wel dat het `klassieke realiteitsbegrip' wordt afgeschaft. Dat wil zeggen: de gedachte dat mensen in hun mogelijkheden worden beperkt door nood, beperkingen en schaarste.

In een lang slothoofdstuk rehabiliteert Sloterdijk dan ook de overvloed, die de moderne samenleving – althans in de westerse wereld – kenmerkt. Te lang, zo schrijft hij, heeft de mensheid geleefd onder het dictaat van de schaarste om nu onbekommerd en vrij van schuldbesef haar luxe te kunnen omarmen. En toch was deze overvloed aan het begin van haar historie reeds gegeven. Het kind ervoer dat van begin af aan, vanaf het bestaan in de moederschoot tot na de geboorte, door alles te ontvangen wat het nodig had: eerst van de moeder, dan van de clan en vervolgens van de natuur.

Mis ging het pas, aldus Sloterdijk, bij het begin van het neolithicum. De mensheid werd sedentair en dat betekende vooral voor de vrouwen een ondraaglijke last van landbebouwing, voorraadvorming en het baren van steeds meer kinderen. Overvloedige zorgzaamheid was er vanaf dat moment niet meer bij en daarmee vestigde het besef van gebrek zich in de kinderziel, om er in die van de volwassene nooit meer uit te verdwijnen. Pas in de affluent society, waarvoor niet langer de verbiedende vader maar de schenkende moeder model staat, mogen we het vergeten, maar de geschiedenis weegt nog altijd te zwaar om onszelf als verwende kinderen te aanvaarden. Dat de toekomst niet ligt in de neerdrukkende moraal van het verbod, maar juist in de vrijheid van oneindige mogelijkheden en een alles doordrenkende lichtzinnigheid, wil er nog maar moeilijk in.

Sloterdijks pleidooi voor een oorspronkelijke overvloed is niet helemaal nieuw (Marshal Salins, Georges Bataille en in Nederland Hans Achterhuis gingen hem daarin voor), maar zijn pleidooi voor een dankbare aanvaarding van onze rijkdom is even sympathiek als gerechtvaardigd. Even aanstekelijk is zijn oproep tot een vrolijke levensfilosofie, die afstand heeft genomen van de achterdocht en de zwaarmoedigheid van een te ernstige wijsgerige moraal. Maar veel minder begrijpelijk is zijn overtuiging dat het daarbij blijven kan en dat deze verwendheidsfilosofie de grondslag zou kunnen vormen voor een nieuwe cultuur. Zelfs wanneer we vergeten dat de wereld niet alleen uit westerlingen bestaat en de niet-verwenden ook hun deel zullen opeisen, verstrikt zijn toekomstvisioen zich in evenveel contradicties als het mythische Luilekkerland.

Het is immers maar zeer de vraag of de verwende mensenkinderen van de toekomst de ondeugden zullen afzweren die van een dergelijke opvoeding nu gewoonlijk het gevolg zijn: egoïsme, ongeduld, onmatigheid en gebrek aan consideratie. Terwijl die tekortkomingen nu al kenmerkend zijn voor het `enigst-kindsyndroom', belooft dat weinig goeds voor een toekomstgeneratie die is gekoesterd in een moederlijke cultuur waaruit het vaderlijke beginsel van wet en verbod geheel verdwenen is. Dat de dankbaarheid voor een bestaan in overvloed ook de morele plicht met zich meebrengt die overvloed aan allen te gunnen, en dat die plicht tot groothartigheid hetzelfde is als altruïsme, kan men vlot met Sloterdijk eens zijn. Maar verwende kinderen hebben de neiging een dergelijke dankbaarheid snel te vergeten en stampvoetendend eisen te stellen waarnaar anderen zich maar hebben te schikken.

Van de gemeenschapszin van Sloterdijks toekomstmensen mogen we ons dus even weinig voorstellen als van de toereikendheid van de sociale verenigingsverbanden waarop hij al eerder in het boek zijn hoop stelde. Als het er in een mensenleven op aan komt, is de lichtheid daarvan maar al te vaak te vluchtig. Tegen ondankbare verplichtingen en tegenslagen is het verwende kind immers nauwelijks bestand. In Sloterdijks overvloed hoeft dat ook niet. Daarin lijkt ieder gebrek opgeheven in een alomvattend lustprincipe, dat misschien nog het best tot uitdrukking komt in zijn lofzang op een `lichte' seksualiteit aan het slot van het boek. Alles in het erotische universum is daarin permanent beschikbaar en voortdurend expliciet, zoals Sloterdijk schrijft in een opzettelijke verwijzing naar de pornografie. Daarin heeft hij ongetwijfeld gelijk, maar deze taboe-, spijt- en jaloezieloze seks is niet die van het erotische verlangen. Van de ander die iemand wil, is er nu eenmaal maar één, zoals het pijnlijkst duidelijk wordt wanneer die ander een ander wil.

In de loop van Sphären III verschuift Sloterdijks toonzetting van een bezorgde vraag naar een jubelende beaming van een gedroomde toekomst. Onder zoveel Nietzscheaans enthousiasme verdwijnen de oorspronkelijke problemen uiteindelijk uit zicht. Van de draagkracht van de schuim-samenleving moeten we ons niet veel voorstellen, net zo min als van haar vermogen zich teweer te stellen tegen een uitwendige dreiging. Kenmerkend is dat de wetenschap, die aanvankelijk ook een terroristische belofte in zich droeg, door Sloterdijk tenslotte wordt omhelsd als de kracht die de moderne overvloed heeft mogelijk gemaakt. Ze werd daarbij bijgestaan door de gezondheidszorg, het verzekeringswezen en de `ondernemende levensvorm'.

Met deze lofzang op het marktdenken geeft Sloterdijk de doodsteek aan de neomarxistische traditie van de Frankfurter Schule, waarin hij zelf gevormd is en waartegen hij sinds lang een felle guerrilla voert. Ook dat is een beaming van de hedendaagse en toekomstige werkelijkheid en een afscheid van de filosofische cultuurkritiek die alleen maar kan mopperen. Ze spoort naadloos met zijn omhelzing van het creatieve individu uit Constants Nieuw Babylon, dat zijn omgeving steeds weer opnieuw construeert. In het taalregister van de hedendaagse manager heet dat `de flexibele mens' en dan ziet Sloterdijks utopie er plotseling heel anders uit.

Het is verrassend hoeveel droombeelden uit de jaren zestig, waarin Sloterdijks visioen wortelt, werkelijkheid geworden zijn in de hedendaagse bedrijfscultuur. Het avontuurlijke leven werd realiteit in het tijdelijke arbeidscontract, de nomadische mens werd de flexwerker en de aan de macht komende verbeelding werd de keuzevrijheid van de consument op een geliberaliseerde markt. Dat maakt niet alleen de venijnige keerzijde van Sloterdijks utopie duidelijk. Het roept ook serieuze vragen op over de houdbaarheid van deze idealen op zichzelf.

Eindeloze vrijheid maakt niet gelukkig, maar verkrampt. Een onbeperkte keuzemogelijkheid heeft tot gevolg dat de consument helemaal niets meer weet te kiezen, en alles wijst er op dat die wet even hard opgaat voor de vormgeving van zijn leven als geheel. Zo vergeet Sloterdijks begeesterde beaming van de toekomst, waarom het hem aanvankelijk te doen was. Ongemerkt verandert de toekomstmens bij hem toch weer in het liberale individu, dat niet toevallig op het moderne toneel verscheen toen overvloed ophield een privilege voor zeer weinigen te zijn.

Het is niet die kritiek die Sloterdijk zijn forum van bespekers aan het slot van het boek in de mond legt. Wel laat hij zich ontmaskeren als een pseudo-Hegel, die in een typisch dialectische drieslag de hele wereldgeschiedenis samenvat. Had hij zijn eigen postmoderne schuimgedachte serieus genomen, dan had hij juist dát niet kunnen doen. Een alomvattend overzicht, als een kristallen bol die alles omvat, is sinds het uiteenspatten ervan een anachronisme. Wat is dit boek dus: een parodie, een verbluffende show, briljant illusionisme? Het is waarschijnlijk van alles wat: een mengsel van virtuoze literatuur en filosofische cultuur, dat zich laat lezen in afwisselend ademloze bewondering, diepe instemming en tenslotte de grootst mogelijke bevreemding.

Peter Sloterdijk: Sphären III. Schäume. Suhrkamp, 916 blz. €34,70

De verkorte Nederlandse editie van de eerste twee delen `Sferen' is verschenen bij Boom, 949 blz. €55,–