Bij ieder kopje thee een theorie

De Duitse filosoof, cultuurcriticus en essayist Walter Benjamin was een eenzaat die weigerde zowel zijn denken als zijn leven in een sluitend systeem onder te brengen. Als jood en links georiënteerd publicist werd hij bovendien opgejaagd door de geschiedenis en zag hij zich aldoor gedwongen de wijk te nemen. In 1940 pleegde hij zelfmoord nadat hij na een apocalyptische dooltocht bij de Spaanse grens werd tegengehouden en men gedreigd had hem aan de nazi's uit te leveren.

Dat zo iemand buitengewoon aantrekkelijk is als romanpersonage begreep ook de Italiaanse schrijver Bruno Arpaia. In zijn boek De engel van de geschiedenis concentreert hij zich op de laatste zeven jaar van Benjamins zwaarbeproefde bestaan, vanaf het moment dat deze enigszins wereldvreemde homme de lettres als balling in Parijs neerstrijkt tot en met zijn tragische einde. Behalve een poging een psychologisch profiel te schetsen van Benjamin stelt Arpaia zich echter ook tot taak de avonturen te beschrijven van luitenant Laurano Mahojo. Deze Spaanse republikein, die eerst tegen de franquisten en later tegen de Duitsers vecht, ontmoet uiteindelijk via een bizarre speling van het lot de moegestreden Benjamin, die hem zijn levenswerk toevertrouwt alvorens met behulp van een handvol morfinetabletten afscheid te nemen van de wereld. Een derde opdracht die Arpaia in zijn roman lijkt te willen vervullen, is het aan de kaak stellen van de hoogst dubieuze en vaak lafhartige houding van de Fransen ten aanzien van de emigranten en vluchtelingen tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Tussen deze drie verhaalelementen vindt een tamelijk vruchtbare kruisbestuiving plaats: door de contrastwerking wordt elke afzonderlijke component scherper uitgesneden. Het clair van de jonge rauwdouwer Mahojo, een man van de daad, verleent het obscur van de melancholieke en weifelmoedige Benjamin, man van het woord, een intensere gloed, en vice versa. Tegelijkertijd krijgen de portretten van beide mannen meer reliëf tegen de achtergrond van een Frankrijk dat vreemdelingenhaat uitwasemt en mensonterende toestanden toelaat in interneringskampen, waar de modder en kou wreed conflicteren met bijvoorbeeld het flinterdunne confectiepak en de keurig gestrikte stropdas van de broze Benjamin.

De suspenserijke wederwaardigheden van de anarchist Mahojo krijgen we van hemzelf te horen: in de ik-persoon dus, en met behulp van een vitaal en soms scabreus taaltje, waarbij Arpaia zich ongetwijfeld heeft laten inspireren door Céline en Malaparte. De talloze ontberingen worden hoogst plastisch weergegeven. Grotten `tot de nok toe gevuld met lijken', luizen, onbetrouwbare vrouwen met `de welvingen op de juiste plaats' die `'m nog bij een dooie stijf kregen', stank van rottende soldaten, vrieskou, een eindeloos `tapijt van gewonden'.

De aan Benjamin gewijde episodes worden daarentegen in een afstandelijke en soms plechtstatige of zelfs pompeuze stijl uit de doeken gedaan. Daarin leren we hem kennen als een `aristocratische revolutionair' met een zwak hart, `een Chinese hoffelijkheid' en een schuwe inborst. `Ik denk dat de oude Benj alleen een hete thee kon aanpakken als hij eerst een theorie ontwikkeld had over die kop,' zegt een van zijn vrienden over hem. Arpaia belicht met name de tweeslachtige ziel die in de filosoof huisde. Hoewel hij werd geplaagd door een `afmattend talmen' omhelst hij dat tegelijkertijd ook haast masochistisch. Zijn legendarische besluiteloosheid had iets paradoxaals gezien `de vastberaden manier waarop hij stapje voor stapje op zijn einde afstevende'. Ondanks het dringend advies van zijn vrienden Koestler, Bataille en Gisèle Freund weigert hij lange tijd Parijs te verlaten. Uitsluitend aan zijn leestafel in de Bibliothèque Nationale voelt hij zich thuis; daar weet hij zich verschanst tegen de redeloze aanvallen van de `engel van de geschiedenis'. Pas als de Duitsers voor de poorten van Parijs staan vlucht hij en raakt hij `verloren als een vlieger die aan de handen van een kind is ontglipt.' De wereld ontpopt zich als een wachtkamer waarin hij van het kastje naar de muur wordt gestuurd. In Marseille weet hij dankzij hulp van zijn vriend en werkgever Horkheimer toch nog een visum voor de VS te bemachtigen. Het blijkt echter uitstel van executie te zijn, zoals uiteindelijk zelfs de redding van zijn manuscript door Mahojo een illusie van korte duur is.

Naarmate Benjamin en Mahojo elkaar naderen op hun verschillende levenspaden lijkt ook de stijl van de twee verhalen congruenter te worden. Ook daardoor bewijst Arpaia een vakman te zijn. Toch: misschien weet hij te goed wat hij doet. Zijn roman wekt bewondering, maar geen verwondering. Je neemt kennis van het drama van een gewonde man zonder zelf gewond te raken. En dat is toch waar je telkens stiekem en wellicht een beetje pervers op hoopt als je een boek begint te lezen.

Bruno Arpaia: De engel van de geschiedenis. Vertaald door Aafke van der Made. Wereldbibliotheek, 320 blz. €22,50