Altijd een luistervink geweest

De Vlaamse schrijver Leo Pleysier probeert in zijn 'kakofonisch' geschreven romans de stemmen van zijn personages te vangen. ,,Hun uiterlijk blijkt uit wat ze zeggen.'

,,Sommige Vlaamse auteurs schrijven graag in een verloren uithoek op het platteland, ver van de stad', zegt Leo Pleysier. zelf is hij ook zo'n auteur. ,,Mensen zeggen tegen me dat ik er goed aan zou doen naar Antwerpen, Gent of Brussel te verhuizen. Dan zou ik midden in het literaire leven staan. Voor mij is dat geen zaak van belang. Ik woon nog altijd waar ik geboren ben. In Rijkevorsel in de Vlaamse Kempen, omringd door het boerenland. Waar je denkt en schrijft, dat is de plek waar je thuishoort. In de afzondering van het goede, stille huis dat ik in Rijkevorsel bezit, kan ik goed werken.'

Met de onlangs verschenen novelle De trousse, Frans voor 'dokterstas', bouwt Pleysier verder aan een literair oeuvre met een opmerkelijk eigen toon. Zijn boeken als Wit is altijd schoon (1998), De Gele Rivier is bevrozen (1993) en Volgend jaar in Berchem (2000) noemt hij voorbeelden van 'kakofonisch schrijven'. Voor de Nederlander klinkt het woord 'kakofonie' oneerbiedig, maar dat is het beslist niet. Pleysier heeft met zijn meerstemmig gecomponeerde boeken een nieuwe genre uitgevonden. De hoofdpersonen in het werk van Pleysier voeren onophoudelijk het hoogste woord. Soms zijn het er wel vier of zelfs zeven. Pleysier arrangeert die stemmen als in een muzikale compositie; hij is de dirigent, de regisseur. Stemmen zijn voor hem 'de grondstof' van literatuur.

,,Ik kom uit een veehandelaarsgezin', zegt Pleysier (1945). Hij ontvangt me niet in Rijkevorsel, maar in de binnenstad van Antwerpen, waar hij een huis bezit waarin zijn dochter woont. Midden in het gesprek valt het hem opeens op hoe 'stil' het tussen al die huizen is. Op het land is veel meer lawaai. Hij vervolgt: ,,Mijn vader zag ik bijna nooit, mijn moeder wel. Zij was zo'n vrouw van wie men zegt dat ze de ziel op haar tong heeft. Altijd was zij te horen, en dat was goed, dat gaf een gevoel van veiligheid toen ik nog kind was. Maar naarmate ik ouder werd, begon haar voortdurende gepraat mij tegen te staan. Ze achtervolgde me met haar stem. Ik betrapte me er zelfs op dat ik wenste dat ze ophield met haar 'gedaas', want ik ging eraan kapot. Ik wilde haar stem niet meer horen.'

Achteraf is dat niet gelukt. Nadat zijn moeder was overleden en zij tot zwijgen was gekomen, bleek dat in Pleysiers hoofd nog altijd een 'cassetterecorder doorliep met haar stem erop'. ,,Ik kon het apparaat niet stilzetten. In het boek Wit is altijd schoon laat ik haar opnieuw aan het woord. Ik heb hard gewerkt op de ritmiek van haar zinnen, alsof ik haar stem componeerde. Het is taalmuziek geworden. Al heeft de dood haar tot stilte gedwongen, ik laat haar terugpraten tegen de zoon. Als de zoon aan haar doodsbed waakt, ziet hij opeens als in een visioen zijn moeder levend en wel over het voetpad dichterbij komen. In de epiloog heb ik die sensatie weergegeven.'

Deze epiloog behoort tot de ontroerendste passages uit het werk van Pleysier. Hij beschrijft daarin hoe zijn moeder, enigszins beduusd omdat ze weet dat haar zoon over haar schrijft, in de deuropening staat en zegt: ,,ik dacht: ik loop nog maar eens bij u langs want het is weeral een tijd geleden. En hoe is 't? Gaat het een beetje? En wat zit ge daar zo heelder dagen toch allemaal op te tekenen tegenwoordig? Gij zijt er dan toch nog aan begonnen precies, aan mijn doodsprentje? Ge komt daar wel laat mee voor de dag, vind ik. En zo lang dat dat geworden is! Kon dat niet wat korter? Dat gaat nogal wat kosten bij de drukken.''

Wat opvalt aan Pleysier;s werk is dat hij zelden of nooit een beschrijving geeft van het uiterlijk van zijn personages. Ik vraag hem waarom hij dit toch wezenlijke aspect van de literatuur achterwege laat. ,,De personages zijn wat ze zeggen. Aan de manier waarop ik hun stemmen op papier tot klinken probeer te brengen, kan de lezer zich een beeld vormen van hun uiterlijk. Althans, dat hoop ik.'

het heeft nogal wat voeten in aarde gehad eer Leo Pleysier het moment bereikte waarop hij zo openlijk over zijn afkomst en familie kon schrijven als nu. Voor het boek De razernij der winderige dagen (1977) vormt het woord 'schaamte' de kern. Pleysier stencilde, zoals meerdere schrijvers in die tijd, zijn eigen werk en verspreidde het zonder tussenkomst van een uitgeverij. Hierdoor behield de jonge schrijver afstand tot de officiële letterkunde. Hij was geïinspireerd door de Franse nouveau roman, een cerebraal literair genre waarin autobiografische onderwerpen niet o nauwelijks aan de orde komen. Pleysier: ,,Ik schaamde me voor mijn boerenafkomst. Of ik het nu wilde of niet, thuis kreeg ik te maken met de hardhandige wereld van mijn vader. Dat wil zeggen: veehandel, veesmokkel en vooral de gewelddadige omgang met dieren, zoals de beesten in de camions werden geranseld, zoals het eraan toeging op veemarkten en in de slachthuizen. Ik vond het afschuwelijk. Als kleine jongen kroop ik dan onder de tafel en ik nam mij voor dat ik later niets met dit alles te maken wilde hebben. Waarschijnlijk van de weeromstuit vluchtte ik weg in de wereld van de boeken.Ik droomde ervan omringd te zijn door de schoonheid van een witgeverfde kamer. De wereld van de boeken was aangenamer, vrediger en minder gewelddadig dan de wereld van de beesten. Maar geleidelijk aan ontdekte ik dat ik mijn verleden niet kon blijven negeren. Ik bleek niet de jongen die aan alles was ontgroeid, integendeel. Het heft lang geduurd eer ik met deze ervaringen in het reine kwam.'

Nieuwe stijl

Met Wit is altijd schoon vond Pleysier zijn nieuwe stijl. Voor de lezer is het nauwelijks voorstelbaar dat dit boek en het meer dan twintig jaar oudere De razernij der winderige dagen van een en dezelfde auteur afkomstig zijn. Pleysier erkent 'dat hij een lange weg heeft afgelegd'. Hij zegt: ,,Ik ben altijd een luistervink geweest. Ze zijn me niet ontgaan, de onafgemaakte zinnen, stoplappen en gemeenplaatsen, herhalingen, haperingen en clichés die ik te horen kreeg. Daarnaast groeide ook het besef van de fascinerende rijkdom van het taallandschap dat mij omringde. Ik kom uit een grote Vlaamse familie van zussen, broers, ooms, tantes, nonnen. Als ik schrijf, dan lees ik elke regel hardop. Een tekst moet klinken, een zekere sonoriteit bezitten. Met Volgend jaar in Berchem heb ik mijn verliefdheid op al dat gepraat op de spits gedreven. Iedereen roept en praat maar wat door elkaar heen.'

Aan dit boek, dat zich afspeelt op nieuwjaarsdag, gaat een veelzeggend motto van T.S. Eliot vooraf: ,,Human voices wake us and we drown.' Ofwel: ,,Menselijke stemmen wekken ons en we verdrinken.' De verteller luistert naar de stemmen van 'ons Hilde, ons Annemie, ons Greet, ons Rita, onze Robert'. Langzaam onthullen zij, stukje voor stukje, de buitengewone geschiedenis van de pas overleden vader. Hij blijkt een moeilijke man te zijn geweest met levensgevaarlijke woedeuitbarstingen. Getooid met een Duitse staalhelm, een gasmasker op en een dubbelloops jachtgeweer in de hand voerde hij altijd 'oorlogje'. De suggestie wordt gewekt dat hij tijdens de oorlog zowel met de Engelsen als de Duitsers samenspande. Pas aan het slot wordt duidelijk waarom Pleysier kiest voor die ongeremde stroom van stemmen: alleen deze vorm is geëigend om van dit geheim over 'de ongelikte vader' elk aspect te tonen. Ieder heeft zijn eigen gedachten. Veelzeggend detail is dat de verteller zelf, een naamloze ik-persoon, zijn eigen stem kwijt is.

Het obsessieve luisteren van vooral de kinderen in Pleysiers werk geeft hun de kans hun 'overspannen fantasie' los te laten op de flarden van gesprekken tussen de volwassenen. Het zijn niet alleen gesproken woorden die hen fascineren, ook de geschreven taal. In De Gele Rivier is bevrozen ontvangt een Vlaams gezin met regelmaat brieven van tante Roza uit China. Als missiezuster is zij in 1948 vertrokken. Elke brief wordt door moeder luidop voorgelezen. Voor haar neefje bestaat tante Roza enkel uit woorden op papier. Totdat ze na jaren terugkeert naar België. Zijzelf, met haar gesteven witte kap, witte habijt, is zo wit als het briefpapier waarop ze schreef. Tijdens haar verre verblijf in een land tientallen malen groter dan België, fantaseerde de jongen over haar. Hij dichtte haar 'nonnengeheimen' toe. ,,Als kind heb ik de opkomst en ondergang van de Vlaamse missiepaters en -zusters op het nippertje meegemaakt', zegt Leo Pleysier. ,,De fanfare van het dorp deed de paters en nonnen uitgeleide naar de haven in Antwerpen met toeters en bellen. Twee decennia later komen diezelfde paters en nonnen terug. Zonder fanfare, zonder onthaal. Integendeel. De teruggekeerde nonnen worden nu zelfs met de nek aangekeken. Vlaanderen heeft een halve draai om de as gemaakt en is niet langer fier op de zonen en dochters dat het heeft uitgezonden om de armen in de wereld te helpen en in den vreemde zieltjes te bekeren, of het nu in Afrika of China is. De ondergang van het missiewezen is een tragische gebeurtenis in Vlaanderen, en er is niemand die zich om het lot van de voormalige uitverkorenen bekommert. Kijk maar hoe bedremmeld ze erbij lopen nu op hun oude dag.'

Ook in De trousse is zuster Roza de hoofdpersoon, een oude non in Zuid-India die in nederige dienstbaarheid haar leven heeft gesleten. Ze wil nooit meer terug naar België. ,,Roza is voor mij het toonbeeld van vervreemding', aldus de schrijver. ,,Wat heeft ze trouwens in Vlaanderen nog te zoeken? Ze is daar een curiositeit, een antiquiteit want God is er verdwenen. De kerken zijn leeg, de winkels en koophallen overvol. Voor iemand als ik, die het geloof van de vaderen en voorvaderen niet meer bezit, is de verleiding groot om haar op te voeren als een folkloristisch verschijnsel. Ofwel om haar af te doen met louter ironie. Dat wilde ik niet. Mijn respect voor haar is te groot. Roza verricht aan het slot een brutale, zelfs verboden handeling. Haar overste is aan kanker overleden. Als erfenis schenkt zij Roza haar dokterstas met alle instrumenten. Tegen elke opdracht in snijdt Roza op een nacht het dode lichaam open en haalt ze alle aangetaste, zwarte plekken weg. Zij wil uit eerbied voor de overste haar lichaam helemaal schoon aan de dood overdragen. De trousse ligt enigszins in het verlengde van Wit is altijd schoon. Gaat Wit is altijd schoon over definitieve en onherstelbare dood, De Trousse heeft als thema de verrijzenis.'

Sappig Vlaams

Met een titel als De Trousse en ook met het woord 'bevrozen' uit de De Gele Rivier is bevrozen heeft Pleysier wel eens moeilijkheden gehad: ,,Een drukker die op het laatste moment 'bevrozen' op het omslag staan zag wilde dat op eigen gezag veranderen onder het mom van: 'Die man kent zijn Nederlands niet.' Maar gelukkig kan ik verwijzen naar iemand als Martinus Nijhoff die in het gedicht 'Het lied der dwaze bijen' ook dat wat archaïserende 'bevrozen' gebruikt. In sommige van mijn boeken wordt de bedreigde taal van het Vlaamse plattelandsleven bewaard. De brieven die mijn tantes uit de missie schreven, waren gesteld in het vooroorlogse, gebeeldhouwde Nederlands. Een taal waarvan ik erg houd. Als ik het ergens van op de heupen krijg, is het wanneer mensen beginnen over 'sappig Vlaams'. Ik ga de Vlaming niet uithangen, het vlaams heeft een kleur die het standaard Nederlands niet of eigenlijk niet meer kent. Ik zou mezelf idioot vinden als ik die rijkdom van de taal die mij omgeeft niet zou aanwenden.'

Een afwezige want overleden moeder, een tante die in China dan wel Zuid-India verblijft, een dode vader zoals in Volgend jaar in Berchem: het valt op dat Pleysiers schrijverschap pas goed op dreef komt wanneer iemand er niet meer is. Klopt dat? Pleysier antwoordt: ,,Wie weg is, wie afwezig is, die werkt veel meer op de fantasie dan wie aanwezig is. Tante Roza uit De Gele Rivier is bevrozen bestaat uit wat de mensen om haar heen over haar verzinnen. Zelf zegt ze nauwelijks iets.Haar brieven verhalen in trotse bewoordingen over haar missiewerk. Totdat ze in Vlaanderen aankwam. Niets was er van haar overgebleven, ze sloot zich op de boerenhofstede waar ze bij ons verbleef op in haar kamer. Wij fantaseerden over de kleur van haar haar, welk lichaam zich onder al die jurken bevond. Ze zweeg. Waar was haar prachtige, geschreven taal gebleven? Zij kon haar taal zo goed behouden, omdat die was omsingeld door Frans en Engels. haar Vlaams is vrij gebleven van vreemde invloeden. Daarom schrijf ik ook in het stille, afgelegen huis in Rijkevorsel: om de stemmen met elk een specifieke toon en ritme te horen. Ik ben honkvast en trouw. Aan de taal, aan mijn verleden, aan de plek waar ik woon.'

'De trousse' is verschenen bij uitgeverij De Bezige Bij, € 13,90.

</RE>