Altijd blijven aaien

De socioloog J. Goudsblom vroeg zich enige jaren geleden in zijn bundel aforismen Reserves af of een tachtigjarige meer lijkt `op degeen die hij was toen hij twintig was of op andere tachtigjarigen?' Hij voegde daaraan toe, tussen haakjes: `Hoe minder goed je de persoon in kwestie kent, des te makkelijker wordt het antwoord.'

Ook bij de dichter Leo Vroman ben je geneigd te denken dat zijn leven vooral op dat van andere bejaarden is gaan lijken. Vroman (P.C. Hooftprijs 1964, VSB Poëzieprijs 1996) woont nu zeven jaar met zijn vrouw Tineke in een aanleunwoning in Fort Worth, Texas. Daar trok hij heen vanuit Brooklyn om, zoals oude mensen vaker doen, dichter bij de kinderen te wonen. Zijn nu verschenen `herfstdagboek' Vroeger donker dan gisteren toont de terugkerende elementen in zijn bestaan. Wekelijks is er een tochtje met een groep medebejaarden naar het winkelcentrum, soms vindt er in de buurt een concert plaats en eenmaal per week hebben ze `dienst' in het winkeltje van het centrum. Ze zijn bezig hun testament te maken, worden geconfronteerd met de dood van kennissen en met ziekte: Tineke krijgt gordelroos en lijdt wekenlang pijn.

Vroman schrijft op 26 november vorig jaar: `Verder hebben we vast deze dag al eens eerder gehad, de auto's die langskomen zijn precies dezelfde, mijn rechterhand is precies zo oud als de linker, de gelige roze veeg midden onder mijn bril is waarschijnlijk nog precies dezelfde neus.' Je kunt wel opschrijven dat de dagen op elkaar lijken, maar als je zinnen en associaties zo onverwacht lopen als hierboven, gelooft geen mens het. Hoe veel Vroman ook gemeen heeft met andere bejaarden, zijn dagboek laat vooral zien hoe veel hij op zichzelf is blijven lijken. Het meest in het oog springen de niet aflatende liefdesbetuigingen aan zijn echtgenote, ook na meer dan zestig jaar is hij nog vol van Tinekes heerlijke wangetjes en mooie rondingen – hij zal altijd blijven aaien.

Maar niet alleen de jongverliefde, zeg twintigjarige, Leo Vroman is intact gebleven, ook de bloedonderzoeker Vroman steekt in het dagboek steeds weer de kop op. In opmerkingen dat hij zelfs het bloed van Hitler nog zou kunnen beminnen, in herinneringen aan zijn tijd in het laboratorium, in hoe hij in het laatste nummer van Journal Biomedical Materials Research een vermelding van het `Vroman effect' zoekt en vooral in de fysiologische blik die hij op zijn omgeving (en zijn eigen lichaam) loslaat: `Soms, alleen thuis, merk ik mijn eigen lichaam en voel het op een stoel zitten. Het zit lekker en kan zich niet voorstellen dat die billen ook al 88 jaar oud zijn; maar natuurlijk zijn zelfs daarbinnen telkens nieuwe cellen die de oude wellust overnemen.'

Hoewel hij soms pogingen doet je het tegendeel te laten geloven (`Ach ach wat een saai verhaal is dit vandaag'), lijkt Vroman niet in staat om iets werkelijk saai te vinden. Er is geen Nederlandse dichter, en waarschijnlijk geen Nederlander, die de wereld tegemoet treedt met zo'n zachtmoedig mengsel van aanhankelijkheid en nieuwsgierigheid. Het geeft je het idee dat Vroman eigenlijk alles wat er in de wereld bestaat, zou willen vastpakken en betasten. Misschien zelfs in zijn mond steken. Hij lijkt ook nog op baby Vroman uit 1915.

Het vermogen zich overal vriendelijk over te verbazen is niet alleen een karaktertrek, het staat ook aan de basis van zijn poëzie, waarin alles het begin van een keten associaties kan zijn. Hij zuigt alles wat er te zien is, in zich op en laat het als het even kan tot leven komen. Bijvoorbeeld de nachtelijke werkzaamheden aan het grote flatgebouw Pier One aan de horizon: `de bekisting van de zuilen op de 18de verdieping wordt al volgegoten door trechters met lange slurven, want beton dat vrijuit van te grote hoogte valt desintegreert.' Nacht na nacht – Vroman waakt op tijdstippen die het moeilijk te bepalen maken of hij al wakker is of nog wakker is – kijkt hij uit het raam terwijl de lampen op het complex zo hard schijnen dat hij erbij zou kunnen lezen. Even precies vermeldt Vroman de voorbereiding van het pannenkoeken bakken op zondag: `Het is prettig alles van tevoren klaar te zetten: 1 ei in een glazen bakje, 1 plastic zak waarin papieren zak met meel, een pak vetloze melkpoeder, de citroenpers uit de grote gebloemde bak in de kast halen en de bak klaarzetten, 1 soeplepel erin, uit de derde la de mixer halen, in het stopcontact steken en in het lege droogrek zetten, en zo.' De meeste schrijvers die zo op trivia ingaan, doen dat om het komisch avontuur, om hun lezers te plagen. Vroman schrijft het wel vrolijk op, maar niet om je aan het lachen te maken. Er is werkelijk iets te ontdekken, iedere keer dat het meel uit de papieren zak in de plastic zak komt, kan er iets gebeuren.

Het zal geen verbazing wekken dat Vroman even consciëntieus verslag doet van zijn dromen (`We logeerden in de bergen, met weinig mensen, Einstein was er ook') en zijn correspondentie. Vroman zit veel achter de computer, om te schrijven, hij prefereert het werkwoord `iemelen' boven e-mailen, maar ook om te tekenen. Hij doet verslag van zijn pogingen programma's te schrijven die op de computer in staat zijn om twee achten geleidelijk in een bloem te veranderen. Het computerprogramma staat volledig in het dagboek afgedrukt, inclusief latere kleine verbeteringen en een tekening van hoe twee achten vervloeien tot een bloem. Dat er dan een levend organisme ontstaat is uiteraard geen toeval.

Bij de meeste schrijvers zou je daar al snel genoeg van krijgen, zoals er de laatste jaren in Nederland (en vooral in de prestigieuze reeks privé-domein)nogal wat schrijversdagboeken-op-verzoek zijn gepubliceerd die je diep in verveling deden wegzakken. Dat het dagboek van Vroman zoveel geslaagder is dan die voorbeelden, komt door Vromans diepe geloof in zijn waarnemingen, of preciezer: in wat er in zijn hersenen gebeurt als zijn zintuigen iets opmerken – dat vindt hij belangrijk, daar wil hij van gaan dichten.

De zachtmoedigheid waarmee dat gepaard gaat is besmettelijk, maar even vaak laat Vroman in het dagboek een minder vrolijke kant zien. Want Vroman gelooft bijvoorbeeld wel dat wanneer iedereen zich in fysiologie zou verdiepen, men meer respect voor elkaar zou kunnen krijgen, maar betwijfelt of religie die rol goed kan vervullen. `Die basis kan omklappen als men de anderen als heidenen ziet en als minderwaardigen wil behandelen of erger nog, uitroeien'. Ook de president van de Verenigde Staten brengt pessimisme in Vroman boven: `in dit keurige en gelovige gebouw wordt niet overboord gesprongen. Tot vandaag. Het beleid van Bush zou er overigens makkelijk toe kunnen leiden.' Vroman is soms ook onbekommerd beledigd. Hij stuurt het tijdschrift Poetry een gedicht met een briefje dat hij een halve eeuw geleden voor het laatst iets had ingestuurd. Na drie maanden krijgt hij zijn gedicht terug met het verzoek of hij niet meer dan vier gedichten per jaar in wil sturen. `Ik heb dus onmiddellijk mijn abonnement opgezegd, want zo veel beter is hun inhoud niet dan de mijne.'

Een aantal gedichten onstaat in de loop van het dagboek, zoals het volgende herfstige fragment van 13 oktober: `De boom verliest niet zijn blaren,/ hij had ze leeggezogen/ en zal ze nu dood en/ ettergeel en bloedrood en/ als wondkorsten laten drogen/ en ze dan zwetend verstoten./ Daar dan'. Daar wordt het weinig vrolijk stemmende vervalsgedicht-in-aanbouw onderbroken door een rijtje later in te vullen puntjes. Alleen het slot staat vast, op de manier zoals Leo Vroman zichzelf levend houdt: `weer gezond. of zoiets.' Het maakt dat je je aan het einde van Vromans herfst niet zozeer meer bezig houdt met de vraag of deze man op andere bejaarden lijkt, maar met de vraag of het mogelijk is een bejaarde te worden die op deze man lijkt.

Leo Vroman: Vroeger donker dan gisteren. Herfstdagboek. De Prom, 192 blz. €17,50