Wereldbank wil toch in olie blijven

De Wereldbank concentreert zich meer op gas, maar zet nog geen punt achter olieprojecten in ontwikkelingslanden.

Moet de Wereldbank zich terugtrekken uit de financiering van mijnbouw en oliewinning? Toen de straatprotesten tegen Wereldbank en IMF drie jaar geleden hun hoogtepunt bereikten, zegde topman James Wolfensohn toe de energieactiviteiten van de Wereldbank onafhankelijk te laten evalueren. Het resultaat van deze Extracting Industries Review, onder leiding van de Indonesische oud-minister van Milieu Emil Salim: per 2008 moet de bank stoppen met de medefinanciering van oliewinning of -transport. Dat zou betekenen dat bijvoorbeeld de pijplijnprojecten van zowel Azerbajdzjan naar Turkije als van Tsjaad naar Kameroen het zonder Wereldbank-financiering zouden moeten stellen.

Vorige week vrijdag volgde de reactie van het Wereldbank-bestuur. Dat pleit er voor niet abrupt te stoppen met de financiering van olie- en mijnbouwactiviteiten, maar gaandeweg wel het accent te verleggen naar gas. Dat leidde tot verwarring: schaart de Wereldbank zich nu wel of niet achter de conclusies?

In juli zal bij de Wereldbank formeel gediscussieerd worden over het rapport, zegt Rashad Kaldany, de verantwoordelijke directeur voor olie, gas, mijnbouw en chemie bij de Wereldbank, die in Amsterdam is voor een energieconferentie. Hij stelt dat het energiebeleid van de Wereldbank zich nu al steeds meer op gas richt. Gas is milieuvriendelijker bij de inzet in plaatselijke energiecentrales dan de olie of kolen waar de meeste nu op lopen. Het gebruik van gas leent zich ook beter voor lokale consumptie, al was het maar omdat het vloeibaar gemaakt moet worden en daardoor veel ingewikkelder is om te exporteren dan olie. En, misschien wel doorslaggevend, gas wordt op dit moment massaal verspild. Bij de winning van olie komen grote hoeveelheden gas vrij, die nu worden afgefakkeld. Dat is niet alleen slecht voor het milieu, maar is ook weggegooid geld. Kaldany stelt dat in de Afrikaanse landen beneden de Sahara jaarlijks een hoeveelheid gas wordt afgefakkeld die in energiehoeveelheden gelijkstaat aan de totale energieproductie in dat gebied. ,,Wereldwijd staat de hoeveelheid afgefakkeld gas gelijk aan de energieproductie van Duitsland en Frankrijk samen.''

Internationaal is inmiddels afgesproken om in 2008 een einde te maken aan het affakkelen van gas. De Wereldbank helpt daarbij door, waar het economisch rendabel is, de overgang naar de productie van vloeibaar gas te ondersteunen, of anders gaspijplijnen aan te leggen voor lokaal gebruik, of het gas te herinjecteren in de bodem. Volgens Kaldany zijn in China inmiddels projecten om energiecentrales om te bouwen van kolen naar gas. Hij stelt wel dat het accent op gas geen direct antwoord is op het evaluatierapport van Salim. ,,We waren al bezig.''

Dat wil niet zeggen dat olie geheel uit het zicht verdwijnt. De kritiek op de Wereldbank was dat olieprojecten, met name pijpleidingen, vervuilend zijn en de aanleg ervan lokale bevolkingsgroepen ontwortelt. Ook kunnen olie-inkomsten een land destabiliseren. De olierijkdom moedigt corruptie door een rijke bestuurlijke bovenlaag aan, en de economie ontwikkelt zich eenzijdig. Oliemaatschappijen zijn rijk genoeg om de investeringen op te kunnen brengen zonder de bescheiden bijdrage van de Wereldbank. Deelname van de Wereldbank betekent voor hen vooral een stempel van politieke correctheid op het project, dat hen van verdere verantwoordelijkheid zou ontslaan.

Kaldany kijkt daar anders tegenaan. Juist de betrokkenheid van de Wereldbank bij dit soort projecten zorgt ervoor dat er beter aan standaards voor milieu en goed bestuur wordt voldaan. Als dat wordt gezien als stempel van politieke correctheid, so be it. De realiteit is, zegt hij, dat ontwikkelingslanden in de komende twintig jaar nog niet volledig zonder kolen en olie kunnen. Mag hun dat worden ontzegd? De verhouding van welvaartsgroei in ontwikkelingslanden tot de bijkomende milieubelasting blijft een moreel dilemma, vindt Kaldany. ,,We kunnen ook in dit opzicht die landen niet onthouden wat wij zelf wel hebben.''