`Verdubbel het Europese budget voor onderzoek'

Begin juli komt de EU-ministerraad voor het eerst bijeen onder Nederlands voorzitterschap. Een belangrijk thema wordt de oprichting van een European Research Council voor fundamenteel onderzoek, naar Amerikaans voorbeeld. ,,Als men de beste onderzoekers op Europese schaal laat concurreren, dan krijgen ze een internationale zichtbaarheid.''

Waarom heeft Europa geen universitaire onderzoeksinstituten op het niveau van het Amerikaanse Harvard of Stanford? Europees Commissaris Philippe Busquin ontploft bijna. ,,Dat is een mythe'', roept hij. ,,Er zijn Europese Harvards. De London School of Economics is zeker zo goed. In Leiden werken onderzoekers van Harvard. Mensen doen op Harvard werk dat ze beter op de Karolinska Universiteit in Zweden kunnen doen. Vrienden van me zeggen dat het er niet beter is dan in Cambridge, Leiden of Parijs. Natuurlijk zijn het zeer goede instituten, ze krijgen Nobelprijzen, die zich een zichtbaarheid hebben verworven. Maar Europeanen moeten zich een keer van die mythe genezen.''

In België, zegt Busquin, kent men heel weinig van de excellentie van de Zweden, en de Zweden weer weinig van die van de Belgen. Hoe komt dat? Doordat er geen Europese organisatie is. ,,In de Verenigde Staten heb je de National Science Foundation. Die maakt een onderzoeksprogramma waarvan vijftig tot honderd Amerikaanse universiteiten de motor zijn. In termen van publicaties presteert Europa meer dan Amerika. Maar wij zijn gefragmenteerd.''

Philippe Busquin (63), zelf afgestudeerd fysicus, vertelt hiermee in een notedop waar hij zich als eurocommissaris met de portefeuille Onderzoek al bijna vijf jaar sterk voor maakt. Er moet een `Europese onderzoeksruimte' komen. Het is volgens de Belg, die mogelijk op zijn post terugkeert, vooral een kwestie van organisatie en geld. Wil de Europese Unie de economische achterstand op Amerika inlopen en zich opkomende economische machten als China en India van het lijf houden, zal zij haar inspanningen fors moeten opvoeren.

Busquin heeft de cijfers en studies paraat, die aantonen dat zulke inspanningen lonen. Een land dat per jaar 0,1 procent van het bruto binnenlands product meer investeert in onderzoek & ontwikkeling (r&d) kan rekenen op 0,4 procent meer economische groei. In de hele Europese Unie levert zo'n investering een half miljoen extra banen op. Prestaties van een land als Finland, dat met innovatie-inspanning en productiviteit de VS overtreft, zijn het bewijs.

Busquin heeft de laatste tijd z'n toon tegenover de EU-lidstaten fors verhoogd. ,,Je kunt niet blijven herhalen dat we de meest concurrerende economie ter wereld willen worden in een kennismaatschappij, zoals op de EU-top in Lissabon is gezegd, als je niet daarnaar handelt.''

De belangrijkste doelstelling is dat per 2010, alle landen van de EU 3 procent van het bbp aan onderzoek en ontwikkeling (r&d) uitgeven. Hiervan moet 1 procent uit publieke middelen komen en 2 procent van het bedrijfsleven. Vooral de particuliere investeringen in r&d blijven achter. Volgens cijfers van Eurostat zat de EU in 2002 op 2 procent. De VS gaven 2,8 procent aan r&d uit en Japan deed het met 3,1 procent nog iets beter. ,,En Japan heeft nu plannen om 3,5 procent aan r&d uit te geven'', zo waarschuwt Busquin.

In maart stelde hij in een rapport de achterblijvende prestaties van een aantal lidstaten aan de kaak. Bij de goede leerlingen zaten Zweden, Finland en Denemarken. Busquin noemde het toen een ,,schande'' dat enkele lidstaten, waaronder ook Nederland, hun publieke uitgaven voor r&d in 2004 hebben verlaagd. Budgettaire problemen zijn volgens hem geen excuus. Zo hield Duitsland zijn r&d-uitgaven op peil, ondanks het overheidstekort dat nog boven de drie-procentsnorm van het europact lag. Nederland kreeg toch enige lof, omdat het met nog zeven lidstaten fiscale maatregelen invoerde om bedrijfsinvesteringen in r&d te stimuleren. Onlangs ging Busquin de confrontatie aan met Parijs door Franse wetenschappers te ontvangen, die protesteerden tegen het gebrek aan middelen.

Volgens de Europese Commissie heeft de EU 700.000 nieuwe onderzoekers nodig, wanneer de r&d-uitgaven in 2010 op 3 procent van het bbp komen. Dit betekent dat de EU van 6 onderzoekers op 1000 werknemers naar 8 op 1000 werknemers moet. De VS zitten al op dat niveau. Maar de braindrain naar de VS neemt volgens Busquin nog toe. Zo'n 75 procent van de Europese onderzoekers en ingenieurs die tussen 1991 en 2000 in de VS afstudeerden, had geen plannen om naar de EU terug te keren. Bovendien doen Europese bedrijven steeds meer r&d-uitgaven in de VS. Per saldo was de netto r&d-geldstroom naar de VS in 2000 ruim 5 miljard euro. Zo concentreren Europese farmaceutische bedrijven r&d rond universiteiten aan de Amerikaanse oostkust.

Gingen in 1991 nog 80 procent van de buitenlandse r&d-uitgaven van Amerikaanse bedrijven naar de EU, nu is dat nog 70 procent. Nog een paar saillante gegevens: het Europese handelstekort met de VS voor high-tech producten bedraagt 23 miljard euro per jaar. Europese bedrijven vragen per jaar 170 octrooien per miljoen inwoners aan, Amerikaanse bedrijven 400 per miljoen inwoners. Dat wijst erop dat de EU nog steeds problemen heeft om kennis in commerciële producten om te zetten. Bovendien is er ondanks alle mooie beloftes nog steeds geen goedkoop gemeenschapspatent door onenigheid tussen EU-ministers over de vereiste vertalingen (zie kader). ,,Een schande'', vindt Busquin opnieuw.

Vorige week lanceerde de Europese Commissie haar plan voor verdubbeling van het EU-budget voor onderzoek in de nieuwe begrotingsperiode. Dat zou betekenen dat Brussel ruim 10 procent gaat bijdragen aan het totaal aan publiek geld dat EU-lidstaten aan r&d besteden. Voor het huidige zesde Kaderprogramma (2002-2006) is ruim 17 miljard euro uitgetrokken, waarmee projecten van grensoverschrijdende onderzoeksnetwerken worden gefinancierd. Dat is maar 5 procent van jaarlijkse EU-budget van ruim 90 miljard euro, dat voor de bijna helft naar landbouw gaat. Het geld gaat zowel naar toegepast als fundamenteel onderzoek.

Volgens Busquin is het zesde Kaderprogramma ,,slachtoffer van zijn eigen succes''. Van de geaccepteerde projecten, waarvan de kwaliteit door wetenschappers wordt gecontroleerd, kon wegens geldgebrek minder dan de helft worden gefinancierd. Samenwerkende groepen onderzoekers van bedrijven, universiteiten en andere onderzoeksinstellingen dienden 28.000 projecten in op het gebied van onder meer nanotechnologie, genoom-onderzoek, voedselveiligheid en zeldzame ziekten.

Met de financiële steun uit Brussel van gemiddeld 10 miljoen euro per project ontstaat volgens Busquin een ,,kritische massa die het mogelijk maakt dat onderzoekers een thema kunnen ontwikkelen''. Hij erkent dat de procedures nog te bureaucratisch zijn. Voor de toekomst denkt hij daarom ook aan de mogelijkheid om gemeenschappelijke ondernemingen op te zetten, waarin publieke en private sector samenwerken. als voorbeeld noemt hij het project Galileo voor satellietnavigatie. Met `technologieplatforms' wil Busquin de onderzoeksagenda verder ontwikkelen, wat nu al gebeurt voor onder meer waterstoftechnologie, zonne-energie en nano-elektronica.

De steun voor research, benadrukt de Eurocommissaris, betekent géén terugkeer naar oude vormen van industriepolitiek, waarbij `nationale kampioenen' in lidstaten werden gekoesterd. Ook in de VS gaat veel publiek geld, onder meer via defensie-opdrachten, naar particuliere research. In de VS is dat zelfs 14 procent van het publieke geld tegen slechts 8 procent in Europa. Busquin: ,,Men moet zich er rekenschap van geven dat de markt niet vanzelf leidt tot onderzoek voor de middellange termijn. Voor alle sectoren met een perspectief van vijf tot tien jaar heb je publieke interventie en gemeenschappelijke strategieën nodig. De onzichtbare hand van de markt is er nooit in zijn geslaagd het menselijk genoom te vinden.''

In de tweede helft van dit jaar zal het debat over de meerjarenbegroting van de EU echt op gang komen, al zullen besluiten pas later vallen. Eurocommissaris Busquin hoopt dat het komende Nederlandse EU-voorzitterschap de geesten van de lidstaten rijp kan maken voor een verdubbeling van het onderzoeksbudget. Een adviesgroep van de Europese Commissie onder leiding van de Belgische econoom André Sapir wilde vorig jaar zelfs een vervijfvoudiging van de uitgaven voor innovatie, ten koste van vooral het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Het bracht Commissie-voorzitter Romano Prodi in verlegenheid. De toenmalige eurocommissaris voor regionale steun, Michel Barnier, reageerde witheet, want ook zijn budget kwam onder vuur. Maar Busquin voelt er wel voor. ,,Alle serieuze mensen zijn ervoor'', zegt hij. ,,Innovatie is belangrijker voor economische groei dan het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Maar in politieke termen is het gecompliceerd.''

Is een verdubbeling van de onderzoeksuitgaven dan wel realistisch? Zeker wanneer ook in aanmerking wordt genomen dat nettobetalers aan Brussel, zoals Nederland en Duitsland, het totale meerjarenbudget aan banden willen leggen? Busquin: ,,Het probleem is niet het realisme, maar of je wilt dat Europa zijn doelstellingen vervult. De lidstaten die budgettair meer striktheid wensen, weten ook dat meer r&d op Europese schaal nodig is. De nieuwe lidstaten zullen misschien meer prioriteit geven aan structuurgelden.''

Een ,,sleutelthema'' tijdens het Nederlands voorzitterschap is volgens Busquin de voorbereiding van de oprichting van een European Research Council voor fundamenteel onderzoek, naar het voorbeeld van Amerika's National Science Foundation. Hierdoor zal het fundamenteel onderzoek in de EU niet langer op nationale basis worden georganiseerd (zie kader). Onderzoeksgelden zullen dan aan Europese centers of excellence worden toegekend. Busquin: ,,In Europa zijn onderzoekers die worden gefinancierd, alleen op nationale basis erkend. Wij hebben een selectie in Frankrijk, in België, in Nederland, in Litouwen. Maar er is geen competitie in Europese excellentie – en dus ook niet die zichtbaarheid van excellentie op Europese schaal. We moeten dat op poten zetten. Als men de beste onderzoekers op Europese schaal laat concurreren, dan krijgen ze een internationale zichtbaarheid. Dat gaat natuurlijk mensen aantrekken die zijn vertrokken.''

Het zal betekenen dat er lidstaten zullen zijn zonder center of excellence. Maar dat vindt Busquin ,,perfect'', ook al kan dat tot politieke wrijvingen leiden. ,,De National Research Foundation gaat toch ook niet eerst een onderzoeksprogramma aan Stanford toekennen en vervolgens ook een aan een kleine universiteit in Oklahoma,'' zegt hij. Fondsen voor toponderzoek mogen niet worden opgeslokt in een herverdeling ten behoeve van sociale en economische cohesie, daarvoor zijn juist de Europese structuurfondsen bedoeld. ,,Het onderzoeksprogramma heeft slechts als doel om de concurrentiekracht van Europa ten opzichte van de rest van de wereld te vergroten,'' onderstreept Busquin. ,,We zullen zijn geslaagd als de beste Amerikanen ook naar onze universiteiten komen.''