Overleveringsrecht

De heren Hamer en Jonk stellen terecht, dat bij de totstandkoming van het nieuwe overleveringsrecht wat makkelijk de bezem is gehaald door de rechtswaarborgen die de burger als voorwerp van overlevering beschermen (NRC Handelsblad, 15 juni). Het ingrijpende karakter van de overgang van uitlevering naar overlevering rechtvaardigt dan ook de scherpe toon die de auteurs in hun stuk bezigen. Toch behoeft de bijdrage enige nuancering. Overlevering karakteriseren als een gevaar voor de argeloze vakantieganger voert wat ver.

Het is niet zo vreemd om de beoordeling van toelaatbaarheid en opportuniteit van overlevering aan de rechter toe te bedelen: in principe is overlevering immers een zuiver juridische figuur. De Nederlandse wetgever laat de rechter in artikel 11 van de Overleveringswet de ruimte om de mensenrechtensituatie in de staat die om overlevering verzoekt, te toetsen aan het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De uitkomst van deze toets dient hij in zijn uiteindelijke beslissing mee te nemen.

Wanneer de rechter tot de conclusie komt dat de mensenrechtensituatie zodanig is, dat gevreesd moet worden voor flagrante schending van de rechten van de over te leveren persoon, zal hij een stokje steken voor de export van burgers naar ,,abjecte gevangenissen grenzend aan Wit-Rusland''. Bovendien sluit artikel 6 van de Nederlandse Overleveringswet verblijf van Nederlandse burgers in buitenlandse gevangenissen in het kader van aan hen opgelegde vrijheidsstraffen uit.

Het is aan de rechter ervoor te zorgen dat bescherming van de burger niet wijkt voor de snelle en efficiënte procedure die het nieuwe overleveringsrecht beoogt.