`Je moet durven inkrimpen'

Leolux, de Limburgse fabrikant van luxe zitmeubelen, ondervindt veel hinder van de malaise in de meubelindustrie. Met snel ingrijpen probeert het bedrijf het tij te keren. Directeur Sanders: ,,Ik geloof niet in het doemscenario dat de meubelindustrie naar China en Oost-Europa verdwijnt.''

Meubelmakers hebben het moeilijk. De omzet daalt, het regent faillissementen en een kwart van de meubelfabrikanten maakt verlies, zo blijkt uit cijfers van de Centrale Bond van Meubelfabrikanten. Ook Leolux, de in Venlo gevestigde fabrikant van luxe bankstellen, tafels en stoelen ontkwam niet aan de malaise, zegt directeur Jeroen Sanders. ,,In 2001, na de aanslagen van 11 september, zakte de markt voor designmeubelen in korte tijd volledig in elkaar. Zeker in het wat duurdere segment waar wij zitten.''

Leolux, de grootste meubelmaker van Nederland, had toen net een langdurige groei- en bloeiperiode achter de rug. Sinds het begin van de jaren tachtig steeg het personeelsbestand van 120 naar meer dan 500 man en groeide de omzet gemiddeld met 15 procent per jaar, tot 55 miljoen euro in 2000. ,,De economie zat toen op haar hoogtepunt en het leek wel of iedereen in die tijd ineens genoeg geld had om mooiere en duurdere meubelen te kopen.'' Leolux kon de vraag maar nauwelijks bijbenen, zegt Sanders. ,,Door over te werken en een deel van de productie uit te besteden konden we het maximale uit onze capaciteit halen. Dat was goed voor de omzet, maar het werd er allemaal niet efficiënter op.''

Dat had zijn weerslag op de winstmarge. Die daalde van 8 à 9 procent tot 5 à 6 procent. ,,Maar ja, wie zeurde daar nou over? Het liep fantastisch, dus we maakten ons geen zorgen.'' Pas na 11 september werd weer duidelijk hoe conjunctuurgevoelig de meubelbranche eigenlijk is. ,,De uitgaven aan meubelen zijn zeer sterk afhankelijk van het consumentenvertrouwen. Dat stond jarenlang op een zeer hoog niveau, maar schoot in één keer flink omlaag.'' Consumenten stelden massaal grote uitgaven, zoals de aanschaf van meubelen, uit en dat had zijn weerslag op de resultaten van Leolux. Klom de omzet in 2001 dankzij een succesvol eerste halfjaar nog tot 59 miljoen euro, in 2002 daalde de omzet naar 55 miljoen en in 2003 kwam dat bedrag uit op 48 miljoen. De nipte winst (814.000 euro) die in 2001 nog behaald werd, sloeg in 2002 om in een verlies van 233.000 euro.

,,Er moest dringend iets gebeuren'', zegt Sanders. ,,We hebben direct alle geplande capaciteitsuitbreidingen stopgezet en zijn werk dat we hadden uitbesteed weer zelf gaan doen.'' Een grondige analyse van het bedrijf wees uit dat Leolux door de snelle groei in de jaren tachtig en negentig een te logge organisatie was geworden, die niet efficiënt genoeg opereerde. ,,De overhead was te zwaar en te veel goede vakmensen waren doorgegroeid naar managementfuncties.'' Het grootste deel van deze groep moest zijn kantoorfunctie daarom weer opgeven en terugkeren naar de productie. ,,Dat was voor sommige van de betrokkenen wel moeilijk, maar het was de enige oplossing'', zegt Sanders.

Om de productie aan te passen aan de gekrompen vraag, besloot Leolux de productiecapaciteit structureel met 15 procent te verlagen. ,,We raakten onze meubelen wel kwijt, maar we moesten hoge kortingen geven en veel geld aan marketing besteden, zodat het ten koste ging van onze winstmarge. Dan moet je op een gegeven moment ook durven in te krimpen, ook al ben je eraan gewend geraakt om alleen maar te groeien.''

De inkrimping had nauwelijks gevolgen voor de werknemers in de productie, maar wel voor het ondersteunende personeel. ,,Goede meubelmakers zijn schaars, die wilden we niet kwijt. Want als de markt weer aantrekt, heb je goede vakmensen juist weer hard nodig. We konden toch iedereen aan het werk houden doordat we het uitbestede werk hadden teruggehaald. Maar om met minder productie de winstmarge op peil te kunnen houden, moesten wel onze vaste kosten omlaag. Dus op kantoor hebben we wel mensen moeten ontslaan.'' Het personeelsbestand werd uiteindelijk met zo'n 80 man teruggebracht tot 450 werknemers.

Het resultaat was dat Leolux in 2003 weer zwarte cijfers schreef en dat de winstmarge, vorig jaar zo'n 2 procent, dit jaar naar verwachting op 5 procent uitkomt. ,,Als we de kosten op het niveau kunnen houden waarop we nu zitten, hebben we nog een omzetgroei van ongeveer 10 procent nodig om weer op onze oude marges terecht te komen'', zegt Sanders.

Voorlopig ziet het daar echter niet naar uit. ,,De omzet laat nog steeds een lichte daling zien en de kosten van onze grondstoffen blijven stijgen.'' Leolux gebruikt bijvoorbeeld veel schuimproducten op basis van olie, die door de hoge olieprijs duurder zijn geworden. Ook de prijs van staal (voor het maken van frames) en leer (voor de bekleding) is gestegen.

Desondanks is Sanders optimistisch voor de toekomst. ,,Ik geloof niet in het doemscenario dat de meubelindustrie volledig zal verdwijnen naar Oost-Europa en China.'' Het aandeel van geïmporteerde meubelen was in Nederland altijd al hoog, zo'n 65 procent, en bevindt zich vooral in het lage en middensegment van de meubelmarkt. ,,Wij zitten weliswaar niet in het topsegment, zoals in de modebranche een merk als Gucci, maar wel in de top van het middensegment. Het gaat bij onze meubelen niet alleen om prijs, maar voor een heel belangrijk deel ook om ontwerp, comfort en kwaliteit.''

Meubels maken is vooral handwerk, en dus arbeidsintensief. Leolux heeft in Venlo zijn eigen hout-, metaal- en schuimbewerking, leer- en stofsnijders, een naaiatelier, stoffeerders en bekleders. Toch zijn lonen niet de belangrijkste kostenpost. ,,Lonen vormen maar ongeveer eenderde van onze kostprijs. De voornaamste kosten zitten in de materialen. Vooral leer en schuim zijn erg duur, omdat ze van een heel hoge kwaliteit moeten zijn.'' Die kosten heeft een meubelfabriek in pakweg China dus ook, volgens Sanders. ,,Daar komt bij dat die Chinese fabrieken heel anders van opzet zijn. Die zijn ingesteld op hele grote series, terwijl bij ons iedere klant zijn eigen uitvoering kiest. Zij gaan voor de massa, terwijl wij juist exclusief willen blijven.''

Sanders ontkent niet dat de westerse meubelindustrie het moeilijk heeft. ,,Maar dat komt niet door meubelen uit lagelonenlanden, maar door de stand van de conjunctuur. Zo is door de slechte economie in Duitsland onze export voor een deel opgedroogd en hebben we veel last van Duitse meubelfabrikanten die met overcapaciteit zitten en hun meubelen op de Nederlandse markt dumpen.''

In de toekomst zal met name Oost-Europa wel belangrijker worden voor een bedrijf als Leolux, verwacht Sanders. ,,Wij kopen al behoorlijk wat onderdelen in Oost-Europa in en ik denk op zich best dat wij op termijn een deel van onze vaste collectie, die niet zo gevoelig is voor mode-invloeden, in Oost-Europa zullen laten maken. Maar op dit moment is daar nog geen enkele fabrikant die kan leveren wat wij leveren. Vooral de logistieke afwikkeling is vaak niet op orde, terwijl die juist in onze branche heel belangrijk is. Een meubelverkoper zet een meubel pas in de showroom en adviseert zijn klanten pas om het te kopen, als hij zeker weet dat het ook altijd in perfecte staat en op de afgesproken tijd geleverd wordt.''