`In Brussel hoor je nauwelijks Nederlands'

Niet alleen bestuurders hebben te maken met `Brussel', de EU gaat de hele samenleving aan. Ullrich Schröder houdt voor het MKB (midden- en kleinbedrijf) Brussel in de gaten. De eerste aflevering van een serie.

Ullrich Schröder heeft een boodschap voor de Nederlandse regering, die vanaf 1 juli het EU-voorzitterschap op zich neemt. ,,Think small first bij het maken van beleid voor het bedrijfsleven. Alle regelgeving wordt geënt op grote bedrijven, waarvan het midden- en kleinbedrijf als een soort bonsai-variant wordt beschouwd.''

Ter illustratie noemt hij het zogeheten Kaderprogramma Research & Development, dat onderzoek in nieuwe technologieën moet stimuleren. Schröder: ,,Daarin zit 2 miljard euro voor het midden- en kleinbedrijf, een recordbedrag. Helaas is 80 procent alleen voor grote projecten van boven de 4 miljoen euro, terwijl de meeste projecten veel kleiner zijn.'' Het gevolg is dat de belangstelling voor de kleine subsidies tien keer zo groot is als de vraag, terwijl het bedrag voor de grote projecten niet eens opraakt. Schröder: ,,De politiek wil dat het midden- en kleinbedrijf meer besteedt aan research. Terecht, maar stem de subsidies daar dan ook beter op af.''

Twaalf jaar werkt Schröder (43) nu in Brussel. Hij begon als consultant en is nu lobbyist voor MKB-Nederland. Hij behoort daarmee tot de meer ervaren lobbyisten in de Brusselse bureaucratie. Ervaring die nodig is om in het ondoorzichtige woud van ambtenaren, parlementariërs, instellingen en belangenorganisaties je weg te kunnen vinden. Na twaalf jaar verveelt hij zich nog niet. ,,Gelukkig verandert er altijd wel weer wat, dat houdt het spannend.''

Het hebben van een permanente vertegenwoordiger in Brussel is voor MKB-Nederland van groot belang, legt Schröder uit. Daar komt immers de Europese regelgeving tot stand die het Nederlandse bedrijfsleven voor een belangrijk deel bepaalt. Wie dat op de voet wil volgen of daar zelf invloed op wil uitoefenen, moet een of meerdere lobbyisten in Brussel hebben.

Onderkent Nederland – overheid en bedrijfsleven – het belang van Brussel voldoende? Schröder kan het niet beamen. ,,Het valt mij op hoeveel Duits ik op straat hoor spreken, en hoe weinig Nederlands. En hoeveel Duitse, Franse en Spaanse organisaties een kantoor hebben in Brussel, tot aan de Duitse slagersbond toe. Daarmee vergeleken is de Nederlandse aanwezigheid in Brussel mager. Ik schat dat hier tussen de zestig en honderd Nederlandse lobbyisten rondlopen.''

Een goede lobbyist slaagt erin om invloed uit te oefenen op de politieke besluitvorming. De belangrijkste vraag daarbij is: wie is de `dossierhouder'? In Brussel is dat in veel gevallen een ambtenaar van de Europese Commissie of een belangrijke europarlementariër, bijvoorbeeld de rapporteur van een parlementscommissie. Die vervult een spilrol bij het ontwerp van nieuwe wetgeving. Als de Europese Commissie een ontwerprichtlijn voorlegt aan het Europees Parlement, buigt de betreffende parlementscommissie zich over het voorstel. Zij wijst uit haar midden een rapporteur aan, die het voorstel bespreekt met parlementariërs, maar die ook te rade gaat bij lobbyisten. Uit hun bijdragen kunnen amendementen, wijzigingen van het wetsvoorstel, volgen.

,,Dan moet je erbij zijn'', zegt Schröder, ,,in dat stadium is er nog niets beslist. De deur van de rapporteur staat open, want hij heeft ook behoefte aan advies.'' Het is in dat stadium van belang een doortimmerd advies te kunnen leveren.

Maar heeft de rapporteur eenmaal zijn rapport opgesteld, dan is het te laat. Het bewerken van europarlementariërs heeft dan niet zo veel zin meer. Schröder: ,,Dat wekt alleen maar irritatie, zeker als ze je verder nooit zien.''

Een voorbeeld van geslaagd lobbywerk door het midden- en kleinbedrijf is het verlaagde btw-tarief voor arbeidsintensieve diensten, zoals schoenmakers, kappers en schilders. Sinds 2000 experimenteren negen landen hiermee, waaronder Frankrijk, Spanje en Nederland. Het lage btw-tarief moet een matigend effect hebben op de prijzen en de werkgelegenheid in de betreffende branches verhogen. Als na 2005 blijkt dat de proef geslaagd is, zou het lage btw-tarief op alle arbeidsintensieve diensten kunnen worden ingevoerd.

Schröder beschouwt het experiment als een succes, maar wel een moeizaam behaald succes. Achtereenvolgens hebben Nederlandse brancheorganisaties, vervolgens MKB-Nederland en daarna de Europese MKB-koepelorganisatie UEAPME, tien jaar voor het idee moeten lobbyen.

,,Erg lang'', erkent Schröder. ,,Aan onze leden is dat niet altijd makkelijk uit te leggen. Er kan een behoorlijke tijd heengaan voordat een voorstel eindelijk door de Brusselse catacomben is.''