Geloof in een toekomst met nieuwe EU-lidstaten

West-Europa kan wat hervormingsdrang en flexibiliteit betreft veel van zijn oosterburen leren, meent Malgorzata Bos-Karczewska.

Met verbazing heb ik kennisgenomen van de defaitistische beschouwingen van László Marácz in Opinie & Debat (19 juni). Van een docent Europese studies met wortels in Midden-Europa zou je meer inzicht verwachten in de dynamische ontwikkeling van het deel van Europa dat 15 jaar geleden nog schuilging achter een IJzeren Gordijn.

De analyse van Marácz lijkt op een zwartwitfoto. De onderliggende dynamiek – de voortvarende transformatie naar een democratie en een markteconomie – blijft daarmee buiten beeld. Ondanks de huidige malaise in verschillende nieuwe lidstaten zouden de West-Europese landen wat hervormingsdrang, flexibiliteit en vitaliteit betreft het nodige van hun oosterburen kunnen leren.

Marácz trekt vergaande conclusies uit de verkiezingen voor het Europees Parlement. Hij noemt de lage opkomstcijfers in Polen en Slowakije (respectievelijk 21 en 17 procent) beschamend. Hij concludeert dan dat daardoor ,,het democratische tekort in Oost-Europa zichtbaar is geworden'' en dat het ,,er alle schijn van [heeft] dat de kandidaat-lidstaten uit Oost-Europa op 1 mei niet klaar waren voor toetreding''. Zou de lage opkomst in het Verenigd Koninkrijk (24 procent in 1999) Marácz tot eenzelfde conclusie voeren?

Marácz staaft zijn betoog met de uitspraak van de Poolse president Kwasniewski die Poolse burgers onvolwassenheid verwijt. Ik schaar mij liever achter de stelling van de Poolse commentator prof. Piotr Winczorek ,,dat het een les in deemoed voor de politici moet zijn''. Marácz mag dan verbaasd reageren op het feit dat de Oost-Europese burgers hun stem niet hebben gebruikt om essentiële kwesties te beïnvloeden die hun aangaan, zoals de hoogte van de landbouwsubsidies en structuur- en cohesiefondsen. Maar hoe zou je dat moeten doen als politici het laten afweten en zelf nog geen weet hebben van de werking van de Europese integratie? Betekent de teleurstellend lage opkomst dat Polen en Slowaken zich van Europa afwenden? Nee, het is slechts een signaal dat de EU voor hen voorlopig een abstract begrip blijft. De enige onbetwiste conclusie is dat deze verkiezingen te vroeg zijn gehouden – slechts zes weken na de toetreding tot de EU. Dat is te snel voor politici om ervaring op te doen met de Europese politiek en besluitvorming, en te snel voor burgers om de EU beter te leren kennen.

Marácz acht de inwoners van Midden-Europa niet voor verbetering vatbaar: ,,Corruptie is in Oost-Europa niet uit te roeien.'' Het cliëntelisme illustreert hij met het feit dat in Tsjechië sinds 1998 niet meer dan 21,5 procent van de overheidsopdrachten openbaar is aanbesteed. Zeker, corruptie en vriendjespolitiek vormen in verschillende – niet alle – nieuwe lidstaten een ernstig probleem. Maar ik zou niet weten waarom dat probleem niet, mede dankzij de Europese regels voor bijvoorbeeld staatssteun en overheidsopdrachten, kan worden teruggedrongen. Overigens heeft Nederland hier zelf boter op het hoofd: in 2002 werd slechts bij 12 procent van de overheidsaanbestedingen voldaan aan de EU-richtlijnen.

Marácz vraagt zich vervolgens af of landen met een werkloosheid van 20 procent van de beroepsbevolking – zoals Polen en Slowakije – wel over een functionerende markteconomie beschikken. Hij suggereert hiermee dat deze landen ten onrechte tot de EU zijn toegelaten. Ik mis hierbij een economische onderbouwing en ik roep in herinnering dat lidstaat Spanje midden jaren '90 een werkloosheid van 20 procent had.

Marácz schrijft ook: ,,In een economie van schaarste wordt alles politiek.'' Ik denk dat hij bedoelt te zeggen: ,,In een economie van tekorten is alles politiek.'' Dat was het oude, aanbodgestuurde communistische systeem, waarin iedereen een baan had maar rijen voor de winkels stonden en de toegang tot bepaalde goederen en diensten gepriviligieerd was. Nu hebben we een markteconomie waarin de effectieve vraag het aanbod stuurt. Daarmee is de ruimte voor manipulatie door politieke partijen en bewegingen teruggedrongen.

Dit neemt niet weg dat de werkloosheidssituatie in verschillende nieuwe lidstaten heel zorgelijk is. Economische groei, inhaalgroei, is daarom van groot belang. Als Marácz recente statistieken en prognoses had bekeken, had hij zijn sombere economische bespiegelingen wel wat bijgekleurd. De groei in de regio heeft zich namelijk flink hersteld en blijft substantieel hoger dan in de oude lidstaten van de EU. De Baltische staten liggen aan kop met een groei van 6 tot 8 procent; Polen verwacht dit jaar een groei van zo'n 5procent. Het komt er nu op aan deze landen in staat te stellen optimaal gebruik te maken van de interne markt.

De zwartkijkers en onheilsprofeten hebben hun werk gedaan. Als het mis zou gaan met de EU van 25, zijn er heel wat mensen die hun gelijk kunnen komen halen. Ik vind het verstandiger te blijven werken aan de verdere integratie van de Midden-Europese landen in de Europese Unie. Die integratie vergt veel geduld en inzet van de oude lidstaten, stelt Marácz vast. Maar vooral wederzijds begrip en constructieve samenwerking, voeg ik eraan toe. Laten we samen invulling geven aan de gemeenschappelijke ambitie om van Europa een dynamische, concurrerende kenniseconomie te maken!

Malgorzata Bos-Karczewska is econome en journaliste en schrijft o.a. voor het Poolse magazine `Unia & Polska'.