Zijn leven

Voor de schrijver Bill Clinton is het pech dat ik toevallig zijn boek Mijn leven in handen krijg in dezelfde periode waarin ik Persoonlijke notities van Marcus Aurelius lees (in de mooie vertaling van Simone Mooij-Valk). Dat wordt een ongelijke strijd tussen twee heersers die ieder in hun tijd de machtigste man op aarde waren.

Marcus Aurelius was de keizer-filosoof die van 161 tot 180 over het Romeinse Rijk heerste. Tussen de oorlogsbedrijven door schreef hij in zijn legertent een verzameling wijsgerig getinte observaties waarmee hij zich onsterfelijk zou maken.

Oppervlakkig gezien hebben beide heren wel het een en ander gemeen. Zoals een moeilijke jeugd (Marcus was ongezond, Bill had een alcoholische stiefvader), een scherp, academisch gevormd verstand en een tomeloze ambitie. Maar zodra ze de pen opnemen, treden de verschillen pijnlijk aan het licht.

Pijnlijk – voor Bill dan.

Van Mijn leven heb ik nu de eerste driehonderd pagina's over zijn jeugd en zijn studententijd doorgeploegd, op zoek naar de goudkorrels die uiterst schaars verscholen liggen onder de dorre aardkorst van dit oeverloze proza.

Clinton weet niet wat schrijven is, dat is zijn probleem. Hij brengt geen hiërarchie aan in de talrijke feiten van zijn leven. Iedereen die zijn niet geringe ego een duwtje in de goede of slechte richting heeft gegeven, wordt aan ons voorgesteld. Grootouders, schoolmeisjes (ja, die zeker), docenten, vrienden, collega's, ze trekken in een eindeloze stoet voorbij.

Hetzelfde geldt voor de gebeurtenissen. In strikt chronologische volgorde worden we door dat leven gesleurd, van het eerste schoolreisje tot de laatste dag in het Witte Huis.

Dat alles gebeurt in een stroeve, onpersoonlijke stijl waaraan, blijkens het nawoord, ook nog veel gesleuteld is door een team van eindredacteuren. ,,Veel delen van dit boek zijn soms wel zes keer of vaker herschreven'', bekent Clinton met de ootmoed die na de affaire-Lewinsky zijn tweede natuur lijkt geworden.

De mij nog resterende achthonderd(!) pagina's heb ik diagonaalsgewijs doorgenomen, en misschien moet ik het daarbij wel laten. Want de grootste makke van Clinton als memoiresschrijver dringt zich steeds hinderlijker op: zelfreflectie is hem vreemd. De pogingen daartoe eindigen onveranderlijk in moralistische dooddoeners van de vervelendste soort.

Eén voorbeeld betreffende waarom niet het huwelijk. Clinton: ,,Nu ik al bijna dertig jaar getrouwd ben (...), heb ik geleerd dat het huwelijk, met al zijn magie en misère, zijn genoegens en teleurstellingen, een mysterie blijft dat voor de echtelieden zelf niet eenvoudig te doorgronden is en grotendeels ontoegankelijk is voor buitenstaanders.''

Bij zelfreflectie hoort zelfrelativering. Wie die gave heeft kan schrijven: ,,Kort is het leven van wie prijst en van wie geprezen wordt, van wie herdenkt en van wie herdacht wordt. Bovendien speelt het zich af in een uithoek van ons halfrond. En zelfs daar zijn niet allen het met elkaar eens, en is zelfs geen mens het met zichzelf eens. En de hele aarde is niet meer dan een stipje.''

Dat was Marcus niet Bill.