Scheidsrechter is de belangrijkste speler

Het zou onsportief zijn de nederlaag van Nederland tegen Tsjechië aan ongelukkige arbitrale beslissingen te wijten, maar de grote rol voor de op papier onpartijdige arbitrage is wel reden tot zorg, meent L.F.M. Groot.

Het Nederlands elftal speelde zaterdag een zinderende wedstrijd tegen Tsjechië. Na afloop werd bondscoach Advocaat met hoon overladen na de fragwürdige wissel ten koste van Arjen Robben. Door alle pijlen op Advocaat te richten, kan de indruk ontstaan dat hij de belangrijkste man is van dit toernooi. Die indruk is onjuist. De scheidsrechter – en in zijn kielzog diens assistenten – is de belangrijkste speler van een toernooi.

Dan moet wel aan twee voorwaarden zijn voldaan. Ten eerste, er is geen overduidelijke winnaar die alle tegenstanders die hij ontmoet van de mat speelt, ook als het arbitrale trio onverhoopt meer of minder in het voordeel zou oordelen van de tegenstander. Aan deze voorwaarde wordt ruimschoots voldaan. Hoe vaak is het Nederlandse sterrenteam niet na verlenging, op strafschoppen of door slechts één doelpunt verschil door de uiteindelijke winnaar uitgeschakeld op belangrijke toernooien? Wellicht meer informatief in dit verband is dat van alle wedstrijden die zijn gespeeld vanaf de kwartfinales op de belangrijke landenkampioenschappen tussen 1994 en 2002 – de WK '94, het EK '96, het WK '98, het EK 2000 en het WK 2002 – bijna zes op de zeven wedstrijden eindigden met één of minder doelpunten verschil. Of de uiteindelijke winnaar doorgaat naar de halve finale en de finale en deze ook nog wint, hangt dus vrijwel altijd aan een zijden draad.

De tweede voorwaarde is dat de in theorie onpartijdige leiding voldoende discretionaire bevoegdheden heeft de wedstrijd naar een bepaalde kant te doen kantelen. Ook daaraan is voldaan. Er zijn talloze momenten waarop de scheids- of grensrechters kunnen besluiten het voordeel van de twijfel aan de ene of de andere partij te geven. Had de scheidsrechter, desnoods op advies van de grens, de duw tegen Van Hooijdonk in de wedstrijd tegen Brazilië op het WK98 niet kunnen honoreren met een penalty? Had afgelopen zaterdag aan Van Nistelrooy in de onvergetelijke wedstrijd tegen Tsjechië wel of geen strafschop moeten worden toegekend, had Heitinga wel of geen tweede gele kaart moeten krijgen, was vlak voor de rust de pass op van Nistelrooy wel of niet buitenspel?

Het arbitrale trio heeft theoretisch de mogelijkheid in handen naar keuze het ene of het andere land door te laten gaan naar de volgende ronde, door in twijfelgevallen te beslissen in de gewenste richting. Hoewel natuurlijk de objectiviteit en belangeloosheid van de arbitrage boven elke twijfel zijn verheven en het onsportief zou zijn de ongelukkige nederlaag van Nederland tegen Tsjechië aan ongelukkige arbitrale beslissingen te wijten, is de grote rol voor de op papier onpartijdige arbitrage reden tot zorg.

Scheids- en grensrechters zijn ook mensen van vlees en bloed en de commerciële belangen in het voetbal zijn enorm. De WK-finale van 1998 is wel omschreven als een stijd tussen Adidas (Frankrijk) en Nike (Brazilië). Om de kans op doorgestoken kaart te minimaliseren is de aanwijzing van het arbitrale trio en van de vierde official van cruciaal belang. Immers, in theorie is het mogelijk door het douceren van slechts vier personen een sterk land naar het kampioenschap van een toernooi te dirigeren. Daarvoor zijn nodig het hoofd van de scheidsrechterscommissie – deze is onontbeerlijk want hij besluit in laatste instantie wie welke rol bij welke wedstrijd krijgt toebedeeld – en bij achtereenvolgens de kwartfinale, halve finale en finale minimaal de scheidsrechter of een grensrechter, en als het niet anders kan de vierde official voor zover deze enige invloed heeft op het wedstrijdverloop.

Bij potentiële kampioenen zoals Frankrijk, Duitsland, Italië, of op wereldkampioenschappen ook Brazilië en Argentinië, kan ervan worden uitgegaan dat zij de poulewedstrijden zullen overleven. Pas bij de kwartfinale geldt het knock-out-systeem en komen doorgaans de krachtmetingen tussen de groten. Precies in deze wedstrijden kan het dubbeltje naar de ene of de andere kant vallen, afhankelijk van scheidsrechterlijke beslissingen. In het onderstaande schema staan de wedstrijden die de uiteindelijke winnaar en de verliezend finalist van het toernooi hebben gespeeld vanaf de kwartfinale, met daarbij de namen van het arbitrale trio plus de vierde official vanaf 1994.

Opvallend is dat van de vijf kampioenschappen er maar één is – het EK '96 in Engeland met Duitsland als kampioen – waar het arbitrale korps bij elke volgende ronde van de uiteindelijke finalisten compleet is vervangen. Bij dat EK werden steeds wisselende arbitrale teams met één nationaliteit samengesteld, waardoor het minder gemakkelijk is met enkele personen het hele toernooi in de gewenste banen te sturen.

Bij alle andere belangrijke toernooien keren bepaalde namen steeds terug. Bij het WK '94 is bij alle finalewedstrijden van Brazilië Lamolina de vierde official en Fanaei zowel in de kwartfinale tegen Nederland – met twee dubieuze doelpunten van Brazilië – en in de finale tegen Italië grensrechter. Bij het WK '98 is Warren zowel in de kwartfinale als in de finale grensrechter bij de wedstrijden van de uiteindelijke kampioen Frankrijk. Bovendien is ook Belqola bij beide wedstrijden betrokken, eenmaal als vierde official, in de finale zelfs als scheidsrechter. Zou men enige geloof hechten aan deze complottheorie, dan is het niet verwonderlijk dat in de halve finales van Brazilië tegen Zweden op het WK '94 en van Frankrijk tegen Kroatië op het WK '98 geen bekende namen terugkeren.

Immers, noch Zweden noch Kroatië geldt als een toonaangevend voetballand, zodat in deze wedstrijden het hoofd van de scheidsrechterscommissie geen welwillend lid van het korps hoeft aan te wijzen om de wedstrijd in een bepaalde richting te duwen. Met een klein risico kan men deze wedstrijden op zijn beloop laten. Dit is puur speculatief en alleen om te laten zien hoe zo'n complottheorie in minimale vorm eruit zou kunnen zien. Maar zoals het EK '96 laat zien, is het zonder meer mogelijk om bij elke volgende ronde van een land steeds een nieuw arbitrageteam het veld in te sturen. Als men deze methodiek zou hanteren, wordt het moeilijker om een bepaald land door welwillende beslissingen in twijfelgevallen een ronde verder te helpen. De restrictie dat bij elke volgende wedstrijd een lid van een compleet nieuw viertal bereid is een bepaald resultaat te bewerkstelligen, is veel strenger dan wanneer het hoofd van de scheidsrechterscommissie weet heeft welke leden zijn instructies zullen volgen en deze vervolgens wanneer het nodig is in het veld kan sturen bij de desbetreffende wedstrijden.

Een andere mogelijkheid om de mogelijkheid van doorgestoken kaart te minimaliseren, is het gebruik van camerabeelden bij wedstrijden. Aan de hand van de vertraagde beelden kan de vierde official via het oortje doorgeven aan de scheids wat de goede beslissing is. De FIFA is tot nu toe tegen, omdat dit al gauw leidt tot de situatie dat op allerlei niveaus, tot aan de pupillen aan toe, camera's nodig zijn om een wedstrijd tot een goed einde te brengen. De charme van het huidige systeem is dat voetbal van hoog tot laag met dezelfde middelen wordt gespeeld – een veld, twee doelen, wat lijnen en een scheids met twee grensrechters.

Dr. L.F.M. Groot is econoom/filosoof en medeauteur van `De balans opmaken van de vaderlandse voetbalcompetitie' (Tijdschrift voor Politieke Ekonomie 2002) en `Het belangenconflict tussen sportbonden en kampioenen' (ESB, 1997).