Populair kwadrantje

Een beetje voetballiefhebber kent de taal van topvoetballers en hun trainers bijna even goed als die toppers zelf. De geregelde openbare lessen van Johan Cruijff en, op enige eerbiedige afstand, andere deskundige explicateurs en sportverslaggevers maken dat vrij gemakkelijk. De liefhebber weet dus ook heel best dat bijna niets zo gewichtig is als een ,,goede veldbezetting''. Van belang is ook, dat weet iedereen, om een spits te hebben die voor ,,oorlog in de zestien'' (dicht bij het vijandelijke doel) kan zorgen. Oorlog moet trouwens iedereen kunnen maken, wat wil zeggen dat je je ,,niet moet verstoppen''. maar je tegenstander zonodig moet laten zien ,,dat je er bent''. Wat betekent dat je hem in een voorkomend geval omver moet kunnen en willen kegelen.

Op dit stuk kiezen trainers vaak een behoedzamere omschrijving; zij noemen zoiets graag ,,positief agressief''. Wie beseft wat zij daarmee bedoelen, beseft ook dat over het maken van overtredingen genuanceerd moet worden gedacht. De commentatoren voor de tv doen dat wel – zij spreken van ,,noodzakelijke'' overtredingen, die ,,in het belang van de ploeg'' worden gemaakt, en ,,onnodige overtredingen'', die het belang van de ploeg juist schaden. Dit onderscheid is trouwens al iets lastiger aan schoonmoeder uit te leggen, want zij denkt misschien nog dat geen enkele overtreding mag.

Veel heb je ook aan spelers die ,,een actie'' kunnen maken, wat meestal wil zeggen dat zij een tegenstander kunnen passeren. Een ABC'tje is voorts dat topspelers de bal niet zomaar naar elkaar schuiven, maar hem zonodig hard kunnen ,,inspelen”, desnoods naar een medespeler die ,,in de dekking'' staat, maar die weet dat, en hoe, hij de bal moet ,,kaatsen''. Belangrijk is ook het ,,inschuiven'' van verdedigers, liefst ,,over de tegenstander heen''.

Wie, zoals ik, om familiaire redenen wel eens langs de lijn staat bij wedstrijdjes van welpen en miniwelpen, van aankomende artiesten in de leeftijd tussen zes en tien jaar dus, leert dat zij die moderne voetbaltaal kennen en begrijpen. Dat is althans de strenge veronderstelling van hun leider, die zich in de verte tot op zekere hoogte aan Cruijff geparenteerd voelt. Of van hun vaders die, met de stramme, dunne benen in een lange broek, natuurlijk hopen dat hun zoon het geluk van die grote, sportieve emancipatie mag beleven die aan henzelf voorbijging.

Kortom, bij voldoende belangstelling en een speciale woordenschat van vijftig à zestig woorden ligt ten minste de theoretische kant van het moderne voetbal open voor eenieder. Van Cruijff tot Karin Bloemen, van Ronald Koeman tot Jack Spijkerman.

Ooit ben ik bij de NRC begonnen als assistent van de sportredacteur. Dat was toentertijd, midden jaren '60 vorige eeuw, Jan Cottaar, wereldberoemd in Nederland als radioverslaggever van de Tour de France en in die hoedanigheid, ik moet dat toegeven, een van de goden van mijn jeugd. Een van zijn eerste, nogal ontnuchterende mededelingen was dat hij met dat Tour-werk na vele jaren vooral was gestopt, omdat er televisiecamera's in de koers waren opgedoken. Zodat iedereen thuis precies kon zien wat er alzo in de wedstrijd, en aan de finish, gebeurde.

Dat vond Cottaar, die net als zijn latere neef Theo Koomen voor de radio liever zijn eigen mooie verhaal vertelde over de wedstrijd, eigenlijk maar niks. Hij werd, zij het dan zonder wrok, met andere leden van zijn sportverslaggevers-generatie slachtoffer van de komst van de televisie in de huiskamer. Wat onder meer betekende dat vroegere fraaie beschouwingen over wonderschone doelpunten of heroïsche daden van atleten of wielrenners een groot deel van hun betekenis verloren. Want wie de sportieve gebeurtenis zelf, veelal live, in de huiskamer had gezien, zat immers een half of heel etmaal later niet meer op zo'n geschreven foto te wachten. Wat voor een groot deel van de sportjournalistiek betekende, zeker omdat er destijds ook in die beroepsgroep een generatiewisseling aan kwam, dat er ,,een nieuwe aanpak'' moest komen. Namelijk de introductie van de ,,pratende sporter'' (en zijn trainer), die naast, of liever: ,,achter'', de door iedereen geziene beelden zijn of haar commentaar gaf.

In lange interviews, of in korte reacties direct na de wedstrijd waarin zij of hij zo geschitterd of juist zo gefaald had, of waarin haar of zijn team veel grote dingen of juist erg weinig grote dingen had gedaan. In zekere zin was die vorm van journalistiek ook de organisatie van een misverstand. Want topsporters zijn altijd bijzonder om hun atletisch vermogen, conditie, spierenstelsel, doorzettingsvermogen, sportieve intuïtie, dat zijn immers voorwaarden. Maar zij zijn, uitzonderingen daargelaten, in het algemeen geen mensen wier verbale of intellectuele bagage extra waarde aan de duiding van (sportieve) gebeurtenissen geeft.

Dus werd ,,de jacht op quotes'' in de vernieuwde sportjournalistiek, een hamvraag: ,,Wat ging er toen door je heen?'', helaas in veel gevallen een exercitie in verbale armlastigheid binnen dat hierboven bedoelde kwadrant van die vijftig à zestig woorden. Dat was te meer opvallend, omdat elders in de journalistiek, zeg in de politieke tak, het ,,platte interview'' als keurig netjes uitgetikt vraag-en-antwoordspel (van verbaal sterkere deelnemers) verdacht en daarom ,,uit'' raakte.

De afgelopen dagen is er bij het Europees kampioenschap voetbal in Portugal, min of meer als tussendoortje naast de weerzinwekkende, collectieve jacht op trainer Advocaat, een controverse ontstaan tussen de uitgezonden bataljons sportverslaggevers en enkele spelers van het Nederlands elftal. Met E. Davids als eerste dwarsligger, omdat hij vaak niet zo'n zin heeft om met die verslaggevers, of met sommigen van hen, te spreken.

Nou en, zou je zeggen, je kunt toch je werk doen en zelf over het spel van zo'n man berichten zonder hem voor een paar voorspelbare plichtplegingen schrijfblok, camera of microfoon voor te houden?

    • J.M. Bik