Over de muur

Het gerechtshof in Den Haag heeft de vrijspraak in het Rotterdamse terrorismeproces teruggedraaid. De vrijspraak was het resultaat van de oncontroleerbare rol van de AIVD (toen: BVD) in deze zaak. De veroordeling wegens betrokkenheid bij moslimterrorisme die het hof nu, bij verstek, heeft uitgesproken is de eerste in ons land. Geheel onverwachts komt ze niet; het Haagse hof had in een tussenuitspraak al een voorzet gegeven. Het is goed dat tegen de uitspraak cassatie is aangetekend bij de Hoge Raad. Op het spel staat niet minder dan de klassieke muur tussen inlichtingendiensten en politie. Deze hebben fundamenteel verschillende taken, zoals de voormalige Haagse politiechef Wiarda onlangs in herinnering bracht in een interview met de Staatscourant. Inlichtingendiensten gaan om met informatie die geheim moet blijven. Politie-informatie wordt in de openbaarheid van de rechtszaal getoetst. Wiarda: ,,Dat is water en vuur'.

Concreet gaat het in de Rotterdamse zaak om twee punten: de BVD-tip en het gebruik van BVD-informatie. De rechtbank vond dat politie en justitie niet direct tot actie hadden mogen overgaan op grond van een BVD-tip. Het hof weigert met reden zo'n voorzet categorisch uit te sluiten. Een tip kan heel goed de voor een opsporingsonderzoek wettelijk vereiste `verdenking' opleveren. De AIVD heeft zelfs een wettelijke meldingsplicht van strafbare feiten. Lastig blijft dat de rechter geen enkel zicht heeft op de manier waarop zo'n melding tot stand is gekomen. Stel dat de AIVD een agent-provocateur heeft ingezet. Uitlokking door informanten is in het strafrecht verboden. Het hof probeert dit op te lossen met behulp van het zogeheten vertrouwensbeginsel dat tussen AIDV en justitie zou gelden. Het is ontleend aan de uitleveringspraktijk tussen staten. Deze rekenen elkaars sommen ook niet helemaal na. Het vertrouwen houdt echter op als sprake is van een ,,flagrante schending'' van de rechten van de betrokken persoon. Het hof geeft zelf toe dat dit voor justitie bij een geheime dienst eigenlijk niet te controleren valt. De vraag blijft of zo'n zwakke basiswaarborg voor de verdachte in een Nederlands strafproces aanvaardbaar is.

Het gerechtshof zoekt de oplossing vooral in ,,behoedzaamheid'' bij de hantering van BVD-bewijs. Zeker wat dit betreft is er van overheidswege een druk gelegd op de rechtszaak, waarvan men zich kan afvragen of deze zo gepast is. Minister Donner (Justitie) dreigde na het Rotterdamse vonnis met een speciale wet over AIDV-informatie in het strafproces. Dat is nu – op aandrang van de Tweede Kamer – ook op weg. Het hof probeert in elk geval nog een genuanceerd signaal te geven: een aantal BVD-taps werden toegelaten, enkele ambtsberichten niet. Die waren achteraf echter toch al overbodig gebleken, dus dat zegt weinig. Minister Donner is verheugd met de uitspraak, maar zegt dat deze zijn wetsvoorstel geenszins overbodig maakt. Dit voorziet in een speciale rol van de rechter-commissaris, die doet denken aan de regeling voor anonieme getuigen. Voor dat laatste onderwerp is Nederland herhaalde malen op het matje geroepen door het Europees Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg. De door Donner uitgesproken verwachting dat zijn nieuwe procedure voor AIVD-informatie naadloos aansluit bij de Europese normen kan voorshands maar beter met een korrel zout worden genomen.