Laat universiteiten vrij concurreren

Een tweedeling van Nederlandse wetenschappelijke instellingen in een eredivisie (`Royal Dutch University') en de rest (`National University of Holland') is niet de juiste weg om van Nederland een vooraanstaand `kennisland' te maken, meent Bram Kempers.

`Richt de Royal Dutch University op!', zo kondigde NRC Handelsblad (10 juni) op de voorpagina een pleidooi aan van Jaap Goudsmit. Hij pleitte op de Opiniepagina voor een topuniversiteit, die moet worden samengesteld uit de universiteiten van Amsterdam (waar Goudsmit werkt), Leiden en Utrecht en voor financiering uit bijdragen van alumni, zoals dat bij Amerikaanse topuniversiteiten zoals Harvard ook gebeurt. Zijn inzet om plannen te maken voor wetenschappelijk onderwijs op het hoogste niveau verdient lof, maar tegen zijn uitwerking heb ik drie bezwaren: de naam deugt niet, de financiering is ondoordacht en de weg die moet voeren naar hoger onderwijs voor een intellectuele elite leidt tot narigheid.

1. Royal Dutch Airlines staat op het punt te verwijnen, met Koninklijke Olie en Koninklijke Ahold gaat het niet naar wens en de leden van ons koningshuis hebben geen naam gemaakt als geleerden of als beschermheren en -vrouwen van intellectuelen. Ondanks de vele eredoctoraten van prins Bernhard heeft ons koningshuis geen bijzondere reputatie op wetenschappelijk gebied.

Dat is echter niet de voornaamste reden om het predikaat `Royal' niet te voeren. Wij wetenschappers gaan niet over de verlening hiervan, en wat belangrijker is:

Nederland heeft een republikeinse traditie die op dit terrein passender is dan ons monarchale verleden. De internationale republiek der letteren en wat Piet de Rooy treffend de republiek van rivaliteiten heeft genoemd, roepen betere associaties op dan de heerschappij van vorsten of pausen die historisch voor de wetenschappen minder bevorderlijk is geweest dan republieken, zoals de Griekse stadstaten uit de Oudheid, de republiek Florence uit de Renaissance of onze Gouden Eeuw. Voor de kunsten is de staat van dienst van hoven beter dan voor de wetenschappen.

De afkorting RDU kan dus gehandhaafd blijven maar `Royal' moet worden ingewisseld voor `Republican', tenzij het koningshuis een groot deel van de financiering op zich neemt en dan nog moeten we voorzichtig zijn in de te sluiten sponsorovereenkomst. Een republikeinse opzet doet ook meer recht aan de Nederlandse cultuurgeschiedenis die ontsproten is aan meerdere, onderling concurrerende centra. De hogere wetenschappelijke opleidingen moeten niet toevertrouwd worden aan één centrum of een cluster van enkele universiteiten, met uitsluiting van de andere. Groningen en Maastricht zijn ook prettige steden en Nijmegen heeft ook goede opleidingen. Het is dus onzinnig om vooraf te bepalen dat die universiteiten alleen leverancier mogen zijn van Amsterdam, Leiden en Utrecht. Voortreffelijkheid verschilt per instelling, per faculteit en soms binnen disciplines; excellentie is vaak afhankelijk van enkele toonaangevende hoogleraren die nogal eens van baan veranderen. Dit betekent dat instellingen op het niveau van onderzoeksgroepen moeten concurreren in een open strijd om de beste onderzoekers, de beste studenten en de beste docenten. Zoiets verplicht de instellingen daarvoor geld beschikbaar te stellen. Een flexibel, op republikeinse leest geschoeid netwerk van onderwijsprogramma's verdient daarom verre de voorkeur boven een monolitische elite-universiteit.

2. Concurrentie om docenten en studenten bevordert de bereidheid van de instellingen om de benodigde gelden beschikbaar te stellen. Vermogende particulieren kunnen fondsen op naam stichten, bijvoorbeeld onder de paraplu van het Prins Bernhard Cultuurfonds, die beurzen beschikbaar stellen. De overheid verplicht zich tot `matching': elke privaat gefinancierde beurs wordt verdubbeld tot het benodigde maximum. Collegegelden kunnen worden gedifferentieerd, afhankelijk van de kosten van de opleiding die tussen de vakgebieden sterk verschillen. Tevens moet er een stelsel van studieleningen komen om minder draagkrachtige talenten toegang te verlenen tot kostbare studies.

Het Amerikaanse systeem van hoge collegegelden is lang niet zo zegenrijk als wel wordt verondersteld en zoiets vergt een sociaal-democratische correctie die gericht is op het kweken van een intellectuele elite en niet op het handhaven van een zittende economische klasse. Zo haal je ook de angel uit het elite-debat. De een is nu eenmaal intelligenter dan de ander en omdat het in belangrijke mate daarom gaat bij wetenschappelijk werk, moet die ongelijkheid erkend worden als basis voor selectie. Bij topsport bestaat het taboe op

ongelijkheid ook niet, al zijn er gewaardeerde niches voor amateursport en voor invalidesport.

Vastgeroest egalitair denken is slechts één van de struikelblokken op weg naar goed hoger onderwijs. Niet alleen de politiek maar ook het ministerie van OCW is ons op dit moment niet erg behulpzaam. Het einde van de jarenlange bezuinigingen op het hoger onderwijs is nog niet in zicht. Door de hoge kosten op centraal niveau blijft er voor de onderzoekers minder geld over. In het Zaterdags Bijvoegsel van 12 juni stond uitgebreid beschreven waar erg veel geld heen gaat: naar interimmanagers, consultants, organisatieadviseurs, weekenden op de hei, `verbeterprojecten', `operatie Apollo' en wachtgelden. Daarbij komen dan nog de vervalste facturen, de hbo-fraude en alle tijd die ambtenaren besteden aan het schrijven van open brieven en het debatteren over negatieve beeldvorming. Het kost allemaal een godsvermogen. Maar het goede nieuws is dat de minister op 15 juni beloofd heeft binnen enkele maanden orde op zaken te gaan stellen en dan kunnen de vrijgekomen middelen ten goede komen aan het hoger wetenschappelijk onderwijs.

Voor een goede besteding van schaarse middelen is het nodig dat de verzuilde structuur van het ministerie grondig wordt herzien. Tussen de kokers voor basis- en voortgezet onderwijs, hoger- en

beroepsonderwijs en cultuur bestaat op het departement weinig communicatie. Wat erger is: onderzoek valt onder de minister en hoger onderwijs onder de staatssecretaris, die kort geleden heeft moeten aftreden.

Voor de wetenschappen en vooral voor de cultuurwetenschappen is de huidige structuur van het ministerie ongunstig. De beloofde cultuurverandering kan in ieder geval beginnen met het luisteren naar wenschappers die hun roeping serieus nemen. Velen zijn bereid dat gratis te doen, naast hun werk als onderzoeker en van hen valt op dit moment meer te verwachten dan van een regiment kostbare verander- en verbetermanagers die inhoudelijk niet wezenlijk bij de materie betrokken zijn. Openbaar debat en een stimulerend gesprek vormen de pijlers van de intellectuele sociabiliteit die van onschatbare waarde is voor kennisontwikkeling. Een prettige plek (en tijd) om rustig na te denken teneinde vervolgens met kritisch ingestelde collega's van gedachten te wisselen in een koffiekamer of kerk is wat wetenschappers wensen en helaas te weinig krijgen.

3. Volgens Goudsmit moeten NWO en de KNAW geen grote rol krijgen in de ontwikkeling van plannen voor, zeg maar, top-onderwijs. Persoonlijk heb ik goede ervaringen met de zeer strenge beoordeling door een KNAW-commissie van een voorstel voor een Master-opleiding kunstwetenschappen: eerst afgewezen en mede door de harde kritiek sterk verbeterd (en alsnog goedgekeurd). De procedures van visitatie en accreditatie dreigen veel te omslachtig en dus te kostbaar te worden, maar kleine commissies van alom erkende geleerden kunnen goede werken verrichten, mits bestaande patronen van patronage en cliëntelisme maar doorbroken worden. Indien de KNAW aan de republikeinse concurrentie kan bijdragen, waarom niet? De naam mag met respect voor de geschiedenis gehandhaafd blijven.

In Goudsmits stuk ontbreekt een visie op financiering. Van het ministerie is de komende tijd eerder een verdergaande bezuiniging te verwachten dan een budget voor goede opleidingen. De miljarden reserves dankzij de giften van Amerikaanse alumni lijken mij overdreven en voor de Nederlandse situatie ook niet realiseerbaar. Het Amerikaanse systeem moet kritisch bekeken worden en verdient slechts selectief navolging. Telkens wordt Harvard als voorbeeld genoemd, maar dat gaat voorbij aan allerlei bezwaren, waaronder ook de matige prestaties op tal van vakgebieden. In de kunstgeschiedenis, theologie en sociologie is Harvard niet toonaangevend. En velen weten dat Amerikaanse studenten niet beter zijn dan Nederlandse of Duitse. Behalve het Engels, een niet geringe voorsprong, is hun kennis van andere talen en culturen vaak beneden de maat. Zeker, de ambitieuze studenten werken harder dan Nederlandse studenten, wat bijdraagt aan hun resultaten. Nederlandse studenten klussen te veel bij, wat hun studiersultaten veelal niet ten goede komt. Ook daarom is een doordacht beurzensysteem op basis van financiering door overheden, stichtingen, fondsen en individuen van groot gewicht: dan hoeven studenten wat het geld betreft niet zoveel in de horeca te werken.

Goudsmit geeft aan dat drie universiteiten zichzelf moeten uitroepen tot een eredivisie waar in het Engels wordt gecommuniceerd en dat alle andere (Tilburg, tot voor kort vermaard om zijn economen, is hij vergeten) zich moeten schikken in een rol als Nederlandstalige vooropleiding: de `National University of Holland'. Die naam hoeft dan niet vertaald te worden. Zoiets wordt politiek en menselijk natuurlijk niets. Je creëert er geduchte tegenstanders mee die alleen maar gaan dwarsliggen, en terecht.

Het is niet juist om vooraf van jezelf of je eigen instelling te zeggen dat je beter bent dan een ander. Universiteitsbestuurders geven in dit opzicht ook al niet het goede voorbeeld. Wees ambitieus en blijf bescheiden.

Als blijkt dat het bèta-onderzoek in Amsterdam superieur is aan dat in andere universiteitssteden, dan komt dat vanzelf wel tot zijn recht. Voor de Universiteit van Amsterdam (en elke andere) is het zaak de toponderzoekers die men heeft niet te laten vertrekken naar Enschede of een Amerikaanse campus. Universiteiten zijn er goed in de beste mensen te laten vertrekken: met pensioen of naar een concurrent. Vrije concurrentie tussen alle universitaire instellingen is de beste garantie voor de ontwikkeling van goede Master- en PhD-opleidingen.

In die wetenschappelijke concurrentie moeten ook de universiteiten op levensbeschouwelijke grondslag zichzelf bewijzen. Het is niet nodig om als verlichtingsfundamentalist denigrerend te doen over andere mensen die religieus geïnspireerd zijn, los van het feit dat dit onbeleefd is. Als er een katholieke lichtsnelheid is, mag men het aantonen. Is er emplooi voor een Catholic Dutch University, een Protestant Dutch University of een Islamic Dutch University? Laat maar zien. Het debat over religies, de multiculturele samenleving en elites kan zo buiten de geijkte groeven gevoerd worden met als enige uiteindelijke toets wetenschappelijk succes. `Nederland kennisland', `Amsterdam creative city' en al die kreten moeten inhoud krijgen door de bloei van een intellectuele elite serieus ter hand te nemen, financieel, procedureel en in naamkeuze, maar dat alles ten dienste van de wetenschappelijke inhoud.

Bram Kempers is hoogleraar sociologie van kunst aan de Universiteit van Amsterdam. Het artikel van Goudsmit is na te lezen op www.nrc.nl/opinie