In Irak zijn nu de Europeanen aan zet

Nu de Verenigde Staten aan de wensen van Frankrijk en Duitsland hebben voldaan, moeten deze landen hun verantwoordelijkheid nemen voor de situatie in Irak, menen Ivo Daalder en Robert Kagan.

Lange tijd hebben critici van de regering-Bush in binnen- en buitenland geroepen om spoedig herstel van de soevereiniteit van Irak, gecombineerd met internationalisering van de bijstand. Dat is precies wat de op 8 juni – aan de late kant – unaniem aanvaarde VN-resolutie regelt. Die resolutie is mede het resultaat van de aanzienlijke moeite die de regering-Bush zich heeft getroost om tegemoet te komen aan de bedenkingen van belangrijke landen die in 2003 tegen de oorlog in Irak waren. Irak krijgt na 30 juni geen beperkte maar volledige soevereiniteit. De Iraakse troepen zullen onder Iraaks bevel staan, niet onder bevel van de multinationale strijdmacht. Het mandaat van de multinationale strijdmacht loopt af zodra de politieke overgang is voltooid. En als de Iraakse regering dat wenst, zullen de troepen worden teruggetrokken.

Je zou dan ook denken dat de nieuwe VN-consensus over Irak goede vooruitzichten biedt, niet alleen om dat land weer op de juiste koers te krijgen, maar ook om de kloven tussen de Verenigde Staten en hun Europese bondgenoten althans ten dele te dichten. Frankrijk en Duitsland eisten een belangrijke rol voor de VN, en die hebben zij gekregen. Zij eisten een snelle overdracht van de soevereiniteit aan de Irakezen, en ook die wens is vervuld. Nu die twee landen in de onderhandelingen over de resolutie hun zin hebben gekregen, is het tijd dat zij het hunne bijdragen aan de samenwerking voor een vredige, stabiele, democratische toekomst voor Irak.

Franse, Duitse en andere Europese functionarissen hebben er immers steeds op gehamerd dat de kwestie van wel of niet slagen in Irak voor hen net zo essentieel is als voor de Verenigde Staten. Zij hebben ook steeds, heel begrijpelijk, gesteld dat als de VS de hulp van hun Europese bondgenoten wensten, zij deze bondgenoten inspraak zouden moeten geven in het beleid in Irak. Maar helaas, nu de regering-Bush eindelijk aan hun verlangens heeft voldaan, lijken Frankrijk en Duitsland nog altijd niet van zins om hun kant van de overeenkomst na te komen. De leiders van beide landen hebben verklaard dat zij in geen geval troepen zullen sturen om te helpen in Irak.

Nog verontrustender was de verklaring van de Franse president Jacques Chirac onlangs op de topconferentie van de zogeheten Groep van Acht (G8), dat hij tegen ieder optreden van de NAVO in Irak is, hoewel de door Frankrijk gesteunde resolutie uitdrukkelijk een beroep doet op ,,lidstaten en internationale en regionale organisaties om bijdragen, inclusief militaire troepen, te leveren aan de multinationale strijdmacht''. Met de posities die de Franse en de Duitse regeringen nu innemen, doen zij afstand van hun internationale verantwoordelijkheid.

Iedereen weet dat welslagen in Irak een grotere inzet van de internationale gemeenschap vereist dan tot dusverre is geleverd. Willen de Verenigde Naties in de komende maanden de Iraakse regering door een moeilijke politieke overgang heen helpen, dan zullen zij ter plaatse op grote schaal in actie moeten komen. De veiligheid in Irak zal aanzienlijk moeten verbeteren om de verkiezingen op schema te doen verlopen en de economische groei op gang te brengen. Een intensief opleidings- en uitrustingsprogramma voor de Iraakse veiligheidstroepen – inclusief politie, burgermilities en beroepsmilitairen – zal de Irakezen op den duur in staat stellen de veiligheid te handhaven. Tot die tijd zal dit voornamelijk het werk zijn van de multinationale troepen. Het is aan slechte planning van het Pentagon te wijten dat er nooit genoeg troepen zijn geweest in Irak. Echte veiligheid zal, althans op de korte termijn, meer troepen vergen. Het merendeel van die troepen zal uit de Verenigde Staten moeten komen, maar ook vrienden en bondgenoten van Amerika zullen meer mensen moeten sturen.

Het gaat niet alleen om de behoeften van Irak. De vraag is vooral of de term `bondgenootschap' nog iets betekent. Zeker, een modelbondgenoot zijn de Verenigde Staten de afgelopen twee jaar niet geweest. Wij hebben kansen op nauwere samenwerking met de NAVO-landen laten glippen. Maar om de transatlantische alliantie te laten functioneren, is er meer nodig dan alleen de Verenigde Staten. Als enkele van de sterkste NAVO-mogendheden weigeren een bijdrage te leveren aan essentiële veiligheidsmissies, zoals in Irak, mag het geen verwondering wekken als de Amerikanen en hun leiders die landen niet langer serieus willen nemen als strategische partners.

Goede bondgenoten sluiten zich niet alleen aan bij activiteiten die hun voorkeur hebben en die al voorspoedig lopen. Toen de Amerikanen troepen stuurden naar Bosnië, en later de oorlog in Kosovo uitvochten, deden zij dat niet omdat de Europeanen die situaties zo zorgvuldig hadden behandeld. De meeste Amerikanen dachten ook niet dat Bosnië en Kosovo hun zaak waren.

De reden waarom de Amerikanen in de jaren '90 op de Balkan streden, was voornamelijk de alliantie zelf.

Volgens NAVO-functionarissen en sommige van de aangesloten landen heeft die organisatie, nu ze al actief is in Afghanistan, niet de capaciteit om ook Irak nog eens aan te pakken. Maar in feite is het zo dat als de NAVO een missie als Irak niet aankan, terwijl de Verenigde Staten 90 procent van de strijdmacht leveren, waarom zouden de Amerikanen dan nog waarde hechten aan die organisatie? Als Duitsland na Afghanistan en de Balkan aan het eind van zijn Latijn is, is het wel treurig gesteld met de militaire capaciteit van dat grote, rijke land. Maar als de Franse regering het wil, dan kan Frankrijk toch zeker nog wel een paar duizend man missen?

Nu de Veiligheidsraad in Irak de deur naar internationalisering heeft opengezet, doen de Europeanen er goed aan binnen te stappen. Op hun bijeenkomst in Istanbul, later deze maand, zouden de leiders van de alliantie moeten afspreken om de opleiding en uitrusting van veiligheidspersoneel onmiddellijk ter hand te nemen, misschien onder leiding van een land als Duitsland, dat al wat politie opleidt. Zij zouden ook moeten afspreken dat de NAVO onmiddellijk het bevel over de door de Polen geleide sector in zuidelijk Irak overneemt, en plannen maakt om uiteindelijk de hele multinationale strijdmacht onder NAVO-bevel te plaatsen.

Krijgt de NAVO geen rol in het scheppen van veiligheid in Irak, dan zal dat de transatlantische betrekkingen een dodelijke slag toebrengen. Vele Europeanen menen dat alleen de regering-Bush een probleem vormt, maar dat is een gevaarlijke misrekening. Als John Kerry in november de verkiezingen wint, zal een van zijn eerste daden zijn dat hij Europa om hulp vraagt in Irak. Als Frankrijk en Duitsland vasthouden aan hun 'neen', zullen toekomstige Amerikaanse regeringen, die van Kerry incluis, de waarde van de alliantie opnieuw moeten bezien.

Willen de Europeanen werkelijk hun strategische banden met de Verenigde Staten verbreken? Zo niet, dan dienen zij te beseffen dat zij nu aan zet zijn.

Ivo Daalder is verbonden aan The Brookings Institution in Washington; Robert Kagan is verbonden aan de Carnegie Endowment for International Peace in Washington.