Geen moer weten, toch meepraten

,,Kijk, dat is nou één van de voordelen van de tv: geen moer van voetbal weten en toch uitgenodigd worden voor een gesprek met Jack van Gelder, Henk ten Cate en Mark van Bommel.'' Cabaretier Jorgen Raymann is er eerlijk over. In De Telegraaf die daags na het Oranje-drama in Portugal in mijn bus viel met analyses van wat zich zaterdagavond in het hoofd van Dick Advocaat had afgespeeld, gaf Raymann onomwonden toe dat hij ,,niet gehinderd door enige kennis van zaken regelmatig het hoogste woord voert over het wel en wee van ons nationale elftal''. Dat geldt voor de meeste talking heads op de televisie. Je hoeft geen Johan Cruijff te zijn om te kunnen orakelen over voor- en nadelen van verschillende spelsystemen.

Ik zat zaterdagavond naar de nabeschouwingen te kijken met een kersverse doctorandus in de literatuurwetenschap en we fantaseerden erover dat we voor een miljoenenpubliek zouden oordelen over een zojuist verschenen roman van Arnon Grunberg of het poëziedebuut van Maria Barnas. We concludeerden dat zoiets onmogelijk is. De massale belangstelling voor de gratuite nabeschouwingen van voetbalwedstrijden bestaat bij de gratie van de gedeelde ervaring. Iedereen die zo'n duel heeft meebeleefd, wil zijn eigen oordeel bevestigd zien en dus kijk je ernaar, hoeveel open deuren men ook intrapt.

Bij literatuur werkt dat niet zo. Het tot mijn spijt opgeheven boekenprogramma `Zeeman met boeken' heeft het geprobeerd: een aantal critici voor de camera laten praten over recent verschenen literatuur. De discussies bleken alleen maar interessant te zijn voor een handvol mensen dat de besproken boeken óók gelezen had en het eigen oordeel kon toetsen aan dat van de recensenten.

Het verschil tussen literatuur en voetbal is niet alleen dat schrijven en lezen individuele bezigheden zijn, maar ook dat er in de kunst geen winnaars of verliezers zijn aan te wijzen. Over literatuur zul je nooit consensus krijgen. Over de artistieke kanten van het voetbal misschien evenmin, maar toch: het doelpunt viel of het viel niet, zo simpel is dat.

Het voorgaande was alleen maar een aanloopje om als literair recensent van deze krant een penalty te kunnen nemen tegen Piet Hagen. De oud-hoofdredacteur van De Journalist, die eens in de veertien dagen de berichtgeving in NRC Handelsblad nabeschouwt, beklaagt zich erover dat deze krant zich niet positief genoeg heeft uitgesproken over het oeuvre van P.C. Hooftprijswinner Cees Nooteboom. Hagen heeft nageteld hoeveel auteurs in de loop der jaren over uiteenlopende werken van Nooteboom hebben geschreven en concludeert dat die auteurs nogal eens van mening verschilden. Dat zit Hagen niet lekker. Hadden de schrijvers van negatieve recensies ongelijk? Zo ja, op welke gronden? Daarop geeft Hagen geen antwoord. Dat doet er kennelijk niet toe.

Nu zul je mij niet horen zeggen dat Piet Hagen `geen moer' van letterkunde weet zoals Raymann van voetbal – misschien is hij een kenner – maar wat me dwarszit is zijn pleidooi voor een collectieve positionering van literaire recensenten. ,,Auteurs mogen onderling van mening verschillen, dat kan zelfs aantrekkelijk zijn'', schrijft hij grootmoedig. ,,Maar als het gaat om de vraag of een Nederlandse schrijver van internationaal niveau is, mag je tussen recensenten van dezelfde krant enige consensus verwachten.''

Waarom eigenlijk? Een boekenredactie is toch geen literaire synode of een politburo? Journalistieke eenstemmigheid over de waardering van kunstuitingen of welke uiting dan ook kan alleen bereikt worden als daar redactionele decreten over worden afgekondigd, zoals zo'n veertig jaar geleden nog wel gebeurde bij verzuilde media. Het deed mij denken aan een verhaal dat Hans Beerekamp me eens vertelde. Toen hij nog filmrecensent bij De Waarheid was en iets positiefs had geschreven over Wagner, ging een overijverige eindredacteur aan de hoofdredactie vragen: ,,Zijn wij voor of tegen Wagner?'' Daar hing immers een geur van antisemitisme omheen. Opgelucht kwam hij terug: ,,Hans, we zijn vóór Wagner!''

Tegenwoordig is het ondenkbaar dat bepaalde kunstenaars van (hoofd)redactionele zijde heilig worden verklaard of in de ban worden gedaan. Dat geldt ook voor het oeuvre van Cees Nooteboom. Wat zij van zijn boeken vinden, maken individuele critici zelf uit, op grond van hun deskundigheid en op voorwaarde dat zij argumenten geven.

Een oordeel over de literaire kritiek impliceert een oordeel over de besproken boeken of auteurs. Nu beperkt Hagen zich tenminste nog tot een journalistieke kwestie. Er zijn ook voorbeelden van mensen die `geen moer' van literatuur weten en toch worden uitgenodigd om erover mee te praten. Vrijdag werd het op initiatief van het Prins Bernhard Fonds uitgegeven boek Kunsten in beweging 1980-2000 gepresenteerd. Daarin schrijft Abu Jajah-aanhanger Mohammed Benzakour over het werk van Hafid Bouazza. Wat blijkt? Benzakour heeft voornamelijk de recensies over Bouazza gelezen, waar hij een selectief gebruik van maakt om zijn politieke tegenstander Bouazza als literator af te branden. Kunsten in Beweging oogt als een gedegen verzamelbundel over de invloed van migranten op de Nederlandse cultuur en is samengesteld door twee gerenommeerde literatuurwetenschappers.

Hoe is het mogelijk dat een bevooroordeelde polemist zonder enige deskundigheid op het gebied van literatuur wordt gevraagd een literair oordeel te geven over een zo belangwekkend literair oeuvre als dat van Bouazza? En hoe is het mogelijk dat een door de Volkskrant wegens meervoudig plagiaat afgezette columnist zich in wat een standaardwerk zou moeten zijn, van zijn taak kwijt door een greep te doen uit het werk van literaire critici?

Niet alleen pleegt Benzakour in dit boek opnieuw aanwijsbaar plagiaat, hij helpt er vooral aan mee de literatuur te verlagen tot platvloers vermaak waarover men zonder enige kennis zijn zegje kan doen, in het geval van Benzakour met geen andere bedoeling dan persoonlijke grieven te botvieren.

Raymann mag gerust over voetbal meekletsen zonder `een moer' te weten, dat is het mooie van televisie. Benzakour mag niet meepraten over Bouazza's oeuvre, als hij alleen instrumenteel de recensies plundert en er blijkbaar `geen moer' van weet, dat is het mooie van literaire kritiek.