Emigratie

,,Mijn broer is op bezoek'', zei de oude dame die ik ver in de tachtig schatte. Ze sprak langzaam, maar indringend genoeg om mijn aandacht gevangen te houden.

,,Hij komt om de vier jaar'', vervolgde ze, ,,net als mijn andere broer en mijn zus. Ze zijn in de jaren vijftig naar Australië vertrokken. Daar hebben ze een goed leven opgebouwd. Toch proef ik heimwee als ik naar ze luister, ook al praten ze er nooit openlijk over. Mijn zus had net met haar man een kleiner huis betrokken toen hij plotseling stierf. En nu? Ze zit in een onmogelijke positie. Als ze daar is, mist ze Nederland, als ze hier is, mist ze haar kinderen.''

Haar woorden maakten des te meer indruk op me, omdat ik de nacht ervoor gedroomd had van een collega met wie ik lang geleden veel had samengewerkt. In die droom zag ik hem messcherp voor me, helemaal zoals hij in die jaren was: jong en energiek, vervuld van ambitie. Geen spoor nog van de gelatenheid, grenzend aan een zekere bitterheid, die ik veel later tijdens sporadische ontmoetingen bij hem bespeurde. In mijn droom praatten we druk met elkaar, al heb ik geen idee meer waarover.

Kort nadat deze collega met pensioen ging, maakte hij bekend dat hij Nederland de rug toekeerde. Hij wilde ergens ver weg een nieuw leven opbouwen. Je hoort het de laatste jaren vaker van oudere Nederlanders: wég uit dit pokkenlandje waar de winters lang zijn en de zomers herfstig.

Ik was perplex toen ik het hoorde, want er was nog zoveel dat mijn collega aan Nederland leek te binden. Zijn twee zoons en dochter woonden in zijn nabije omgeving, evenals zijn oude vader.

Ik reisde naar hem toe om afscheid te nemen. We spraken gretig over ons gemeenschappelijke verleden, met die lichte hang naar romantiserende nostalgie die bij dat soort ontmoetingen hoort. Wrijvingen en conflicten lijken nooit bestaan te hebben, over het land van vroeger ligt de glans van ongeschonden kameraadschap.

Voorzichtig begon ik vragen te stellen over de motieven voor zijn vertrek. Het leek of hij mijn verbazing niet wilde begrijpen. Wat was er nou zo vreemd aan? Hij had het in Nederland wel gezien, hij vond het maar een vol, vies landje geworden. In het land waar hij heenging, scheen bijna altijd de zon en was het leven meer ontspannen.

Hij onderging het ook niet als een écht afscheid van Nederland. Er waren nog genoeg manieren om voeling met Nederland te houden, bezwoer hij me. Hij kon internetten met Nederland, Nederlandse kranten lezen en videobanden met tv-programma's laten overkomen. Ook was hij van plan regelmatig naar Nederland terug te reizen.

Zo zou hij van twee werelden het beste krijgen. Wie wil dat niet?

Toch voelde ik geen jaloezie toen ik op de terugreis ons gesprek overdacht. Voor emigratie moet je niet te oud zijn, overwoog ik, als je jong bent is het moeilijk genoeg. Ik zag mezelf al zitten in zo'n subtropisch paradijsje, bladerend door De Telegraaf, wachtend op een nieuwe zending tv-programma's uit het vaderland.

Nee, dan toch liever het land van Mat Herben.