Als een tijdloze meubelboulevard

Nooit geweten dat het Stedelijk zoveel stoelen heeft. De meubelcollectie heeft decennia lang een onzichtbaar bestaan geleid in depots en kelders. En dat terwijl het museum zich echt niet hoeft te schamen voor zijn bijna duizend stukken. Dat is de helft van wat er in het gigantische Victoria & Albert Museum staat en bijna twee keer zoveel als in de befaamde Vitra-collectie in Weil am Rhein. Van die duizend objecten hebben er 717 een plaatsje gekregen in The Furniture Collection 1850-2000, de allereerste bestandscatalogus die het Stedelijk Museum in zijn 109-jarige bestaan heeft uitgegeven.

Wie door de magnifieke stoeptegel van gastauteur Luca Dosi Delfini bladert, kan het niet ontgaan hoe breed en indrukwekkend de verzameling is. Het meeste is van Scandinavische, Italiaanse, Duitse en Nederlandse makelij. De nadruk ligt op het modernisme, met als zwaartepunt de buismeubels van Gispen, Breuer en Stam. Maar er zijn ook ontwerpen van kunstenaar Donald Judd, de postmoderne veelkleurigheid van de Milanese Memphis-groep en de vroege experimenten in gebogen hout van Thonet en Kohn. Visie kan de drie verantwoordelijke conservators niet ontzegd worden. Net zo min als Willem Sandberg, die zich tijdens zijn directeurschap hoogstpersoonlijk over de meubels ontfermde. Het is vooral aan Sandberg te danken dat het Stedelijk maar liefst 106 stukken van Gerrit Rietveld bezit – de grootste verzameling ter wereld na die van het Centraal Museum in Utrecht.

In de expositie ter ere van de bestandscatalogus wordt Rietveld afgezet tegen een andere topper uit de collectie: Piet Kramer. Kramer vs Rietveld presenteert de tijdgenoten als absolute tegenpolen. De hang naar decoratie van de Amsterdamse School-adept versus het functionalisme met constructivistische inslag van de De Stijl-man.

Die tegenstelling gold misschien nog in het Sandberg-era, maar is na een halve eeuw begripsverandering niet meer vol te houden. Niemand zal de ongemakkelijk ogende zigzagstoeltjes van Rietveld tegenwoordig nog functioneel noemen, terwijl de majesteitelijke sofa en riante zitjes van zijn collega dat zeker wel zijn. Kramer is – zeker in zijn latere werk – veel soberder dan de strenge meesters van het modernisme altijd deden geloven. Terwijl het Elling-buffet van Rietveld, met zijn tientallen balkjes en vlakjes, ornamenteel of zelfs barok is.

Er waren verlichte opdrachtgevers die de polarisering tussen Rietveld en Kramer meteen al doorprikten als een schijntegenstelling. De Amsterdamse dr. Harrenstein nodigde voor de inrichting van woning en praktijk beide ontwerpers uit. Het is typerend dat het Stedelijk in 1971 alleen de Rietveld-slaapkamer aanschafte. Er waren Italiaanse tentoonstellingen voor nodig om de herwaardering voor de Amsterdamse School op gang te brengen. Pas in 1975 wijdde het Stedelijk er zelf een overzicht aan. Zwaar verwaarloosde Kramers moesten zelfs daarna nog dertig jaar wachten op restauratie. Het is dus curieus dat een expositie die Kramer rehabiliteert als gelijke van Rietveld zo prominent refereert aan de tweedeling die hem lang veroordeelde tot het kamp van de `foute' vormgeving.

Maar het denken in mank lopende tegenstellingen lijkt ingebakken bij het Stedelijk. Want ook de tweehonderd meubels die als extraatje bij Kramer vs Rietveld zijn uitgestald, zijn gegroepeerd rond pseudo-contrasten. Soms mist één van de polen volledig, zoals bij het kopje `licht vs zwaar' dat loopt van Giuseppe Descalzi's La leggera (de lichte) tot Gio Ponti's Superleggera. Bij `oud vs nieuw' gaat het niet om een tegenstelling maar om de omvorming van oude concepten tot nieuwe vormen zoals Michele de Lucchi's Lido-bank die voortborduurt op de Biedermeier sofa. Iets soortgelijks geldt voor `afval vs grondstof' dat als titel bij Piet Hein Eeks sloophoutkast en Bär & Knells stoel van gerecycled kunststof beter kan worden vervangen door `afval als grondstof'.

Maar ondanks die conceptuele missers heeft de tentoonstelling iets verfrissends. De stoelen, tafels en kastjes staan tenminste niet op een steriel sokkeltje. Het is alsof je een tijdloze meubelboulevard afloopt. De stukken worden getoond als de gebruiksartikelen die ze zijn. En het is een feest om Gunnar Aagaard Andersens unieke fauteuil van klodders polyurethaan naast Friso Kramers industriële bureaustoel en Cachets ambachtelijke uitklaptafeltje te zien staan. Laten we hopen dat het Stedelijk zijn rijkdom in de toekomst wat vaker toont.

Tentoonstelling: Kramer vs Rietveld. Stedelijk Museum CS, Oosterdokskade 5, Amsterdam. T/m 29 aug, dag 10-18u, do 10-21u. Cat. `The Furniture Collection 1850-2000. From Michael Thonet to Marcel Wanders', €69,50.