Universiteiten

Prof. Jaap Goudsmit verdeelde in deze krant van 10 juni de Nederlandse universiteiten in `zijn' top en de rest. Ik constateer drie denkfouten.

1. Goudsmit geeft hoog op van (bèta-)onderzoeksprestaties. Maar universiteiten zijn, krachtens traditie en wet, vooral onderwijsinstituten, met docenten van wie sommigen niet voor niets hoogleraren genoemd worden.

2. Universiteiten zijn méér dan instellingen waaraan enkele hooggekwalificeerde bèta-onderzoekers, al dan niet financieel gesteund door `de industrie', ook nog eens een enkel college geven. De meeste universiteiten tellen zeven à acht faculteiten. Intussen verdeelt Goudsmit de Nederlandse universiteiten in top en middelmaat op basis van een citatie-index van bèta's, waarbij een grote universiteit meer kans heeft op citaties. Zo gaan Utrecht, Leiden en Amsterdam dus Goudsmits Royal Dutch University vormen. Overigens loop je daar als filosoof of historicus de kans alsnog onder Goudsmits regime te verdwijnen, omdat je toch geen geld vanuit het bedrijfsleven genereert.

3. Financiering van het hoger onderwijs op basis van geld uit het bedrijfsleven dat vooral belang heeft bij bèta-onderzoek. Goudsmit vergeet dat ons fiscale klimaat, in tegenstelling tot het Amerikaanse, geen grootschalige schenkingen bevordert. En dat in de VS veel universitair geld van vermogende particulieren komt, die juist leerstoelen hetitisch en kerkgeschiedenis instellen. En ten slotte dat het Amerikaanse fiscale stelsel een sociaal systeem in stand houdt, dat wij in Nederland niet graag zouden overnemen.