Stop genocide in Soedan met vredesmissie

De Nederlandse regering mag niet wegkijken van de genocide in het westen van Soedan. Het is de hoogste tijd om daadwerkelijk in te grijpen, vindt Hans Brüning

Het kabinet moet zich alsnog gaan inzetten voor een vredesmissie van de Verenigde Naties in Darfur in het westen van Soedan. De legering van militairen daar is hard nodig om mensenlevens te redden en de stabiliteit in de regio te verbeteren.

Gebeurt dit niet, dan worden nog eens tienduizenden mensen slachtoffer van etnische zuiveringen.

In Darfur worden dagelijks honderden mensen vermoord, vooral door de Arabische Janjawid-milities, en zijn al 10.000 mensen van de Zaghawa-stam gedood. Boerinnen worden systematisch verkracht. Al een jaar lang worden marktplaatsen van dorpjes in de regio gebombardeerd door de Soedanese luchtmacht. Als gevolg hiervan zijn ruim 1 miljoen mensen de woestijn ingevlucht. Verdreven van hun land kunnen zij niet meer in hun eigen levensonderhoud voorzien. In gebieden waar in de regentijd wel voldoende water is, wordt het land niet meer verbouwd. Arabische nomaden terroriseren daar de plaatselijke boeren. Met de regentijd over twee weken in aantocht is het letterlijk een race tegen de klok om te zorgen dat er voldoende voedsel en medicijnen voor mensen beschikbaar komen.

Gelukkig neemt de verontrusting over het voortdurende moorden en de dreigende humanitaire ramp toe. Het door de Verenigde Naties aangekondigde bezoek van secretaris-generaal Kofi Annan aan Soedan is een positief signaal.

Helaas is het niet meer dan dat, terwijl inmiddels wel duidelijk is dat de oorlog in Darfur voldoet aan de criteria voor internationaal ingrijpen. Er is immers sprake van een grensoverschrijdend conflict. Niet alleen in Darfur maar ook in het oosten van Tsjaad worden mensen vermoord door de Janjawid. Het optreden van de Janjawid-milities voldoet daarmee aan alle kenmerken van een etnisch gemotiveerde massamoord.

Intussen heeft de regering van Soedan officieel aangegeven geen controle te kunnen krijgen over de moordpartijen en verkrachtingen. En als gevolg van het conflict dreigt binnenkort een hongersnood met een omvang die de wereld lange tijd niet heeft gekend.

Dit betekent dat zich in Soedan een ramp ontvouwt die door de wereld tot nu toe alleen nog wordt gadegeslagen. Minister Bot (Buitenlandse Zaken) stelde onlangs nog dat in Soedan geen sprake is van genocide en etnische zuivering. Dat is formeel correct. Regeringen ontkennen doorgaans dat ze gericht rassen uitzuiveren en een martelcampagne tegen een bepaalde bevolkingsgroep uitvoeren.

Tegelijkertijd is het zo dat genocide en etnische zuivering zich nooit als zodanig laten afkondigen. De aard van genocide en etnicide is dat dit pas achteraf kan worden vastgesteld. Bovendien is er geen enkel kwantificeerbaar begrip beschikbaar om het te meten. De ramp in Rwanda, die begon in april 1994, kan met 500.000 slachtoffers in ieder geval een genocide genoemd worden.

In Darfur zijn 10.000 mensen slachtoffer van een etnische zuivering. Gaat dit zo een tijdje door, dan kan achteraf gezegd worden dat ook Soedan door een genocide is geteisterd. Intussen heeft het TweedeKamerlid Koenders (PvdA) gesuggereerd een `no fly-zone' in te stellen in de regio om de bombardementen te stoppen. Kamer en kabinet hebben echter besloten vooralsnog niet in te grijpen. Intussen is het bestaande staakt-het-vuren-verdrag, gesloten in april van dit jaar in Darfur, al meerdere malen geschonden.

Er zijn drie redenen waarom de Nederlandse regering zich niet openlijk durft uit te spreken voor militair ingrijpen in de regio. De eerste is dat minister Van Ardenne (Ontwikkelingssamenwerking) de fundamentalistische regering in Soedan te vriend wil houden. Zij zegt die regering nodig te hebben om toegang te krijgen voor hulpverlening. Hoe begrijpelijk de behoefte ook is om de diplomatieke weg naar vrede open te houden, in de praktijk is dit station allang gepasseerd. Het regeringsleger neemt deel aan het moorden door de Janjawid. Alleen al hierom is de tijd rijp om de internationale druk op de regering tot het uiterste op te voeren.

Een tweede reden is dat de pro-Arabische Fransen elke serieuze veroordeling met alle diplomatieke geweld tegenhouden. Zij gaan tot het uiterste om hun banden met Arabisch Afrika, inclusief Soedan, goed te houden. Ten derde blijft Groot-Brittannië de Fransen hierin steunen.

Alles is immers beter dan een nieuw avontuur met militaire implicaties overzee. En dan zeker geen marsroute in de voormalige kolonie Soedan. De huidige politieke chaos is bovendien een erfenis van het Verenigd Koninkrijk als voormalig kolonisator.

Het zijn alledrie betreurenswaardige

redenen. Hulp moet; het is gunst noch idealisme. Als het niet met de toestemming van de regering van Soedan gaat, dan moet het maar met militaire assistentie van internationale troepen. Die fundamentele uitspraak moet gedaan worden.

Het zou de Nederlandse regering sieren dit als aanstaand voorzitter van de Europese Unie zo snel mogelijk te doen. De Fransen en Britten moeten dan tot de orde worden geroepen. Maar het vergt politieke moed om te besluiten tot een volkomen gelegitimeerd internationaal ingrijpen. Als het nu nog niet genoeg is in West-Soedan, dan is het nooit genoeg.

Hans Brüning is directeur projecten van ICCO, Interkerkelijke organisatie voor ontwikkelingssamenwerking