Op De Parade moet alles leuk en licht verteerbaar zijn

Nergens groeien tradities zo snel als op de reizende theaterbazaar De Parade. Dit jaarlijkse zomerfestival gaat de grote steden in de randstad af en heeft net haar openingsweekeinde in Rotterdam meegemaakt. Het festival laat artiesten als marktkoopmannen en marktvrouwen hun waar aanprijzen en daardoor wemelt het van de wonderlijk uitgedoste figuren die voorbijgangers flyers en vleiende woordjes toestoppen. De ervaren bezoeker kijkt er nauwelijks van op en baant zich doelgericht een weg naar zijn favoriete eet- of drinkgelegenheid om aldaar tevreden het vertrouwde Paradegevoel tot zich door te laten dringen. De nieuwkomer is ook al razendsnel oudgediende. Stond hij vorig jaar nog met open mond naar de blote bast van De Man Die Door Zijn Ogen Ademt te staren, dit jaar groet hij hem als een oude vriend. Dit jaar werpt hij achteloos wat geld achter zijn hoefijzer aan bij het gokspel de Catacloppe. Dit jaar zwiert hij met een ijsje in de ene, en zelf gemaakte poffertjes in de andere hand een rondje in de `zweef'; een zweefmolen die ook alweer tijden meedraait. De Parade heeft zoveel vertrouwde randelementen dat de theatervoorstellingen zelf eronder bedolven lijken te raken.

Het uitgangspunt van Dat is het punt niet van de jonge groep Teatro van regisseur Marcus Azzini is origineel: mensen spenderen gemiddeld een jaar per leven aan het zoeken naar dingen die ze kwijt zijn. Dat is het punt niet gaat over dat jaar, zegt het programmaboekje. In het begin sommen de acteurs nog op wat ze allemaal wel eens kwijt zijn geraakt, een vermakelijke en herkenbare lijst. Al snel daarna gaan ze over op kleine toneelstukjes die waarschijnlijk scharnieren rond het thema `jezelf zijn of `jezelf kwijtraken' en `kiezen'. Helemaal zeker ben ik daar niet van, want het meest duidelijke doel is `het publiek behagen'. De verdere samenhang ontbreekt – al kan die samenhang natuurlijk ook expres zijn `kwijt' gemaakt. Dat is het punt niet is ondanks die rommeligheid vaak vermakelijk, maar te hevig geïnspireerd door een minder aangename festivaltraditie: het moet allemaal leuk en licht verteerbaar zijn.

De slapstick Rollercoaster van Eric Koller is daar een nog beter voorbeeld van. Hij is zo bezig met leuk zijn, dat zijn voorstelling dat allang niet meer is. Hoewel hij schijnt te kunnen rekenen op een trouwe aanhang van dronkelappen en kinderen, zullen er verder weinig mensen dubbelliggen bij zijn verhaal over een achtbaan en een sullige mechanicus. Natuurlijk mogen Parade-voorstellingen grappig zijn, maar laat ze ook ergens over gaan. En als ze al nergens over gaan, maak ze dan zo geolied en enerverend als Knuckles van Alex d'Electrique, de hit van vorig jaar die dit jaar terugkeert.

Het is treurig dat zelfs door de wol geverfde acteurs als Jim van der Woude zich laten verleiden tot gemakzucht. In Waiting for the ball speelt hij een Indiase tennisprofessor die tennissen ,,zonder concentratie, zonder energie en zonder actie'' propageert. Het resultaat is een slapende man met een projectiedoek als tegenspeler. De animaties op het doek zijn heel even interessant, daarna blijven ze hangen op het niveau van Sesamstraat en versimpelen dan tot het peuterprogramma Tik Tak. Ook dit project wekt sterk de indruk leuker te zijn voor de makers dan voor de kijkers. Het zal niet lang meer duren voor de infantilisering de aangename sfeer op het festival gaat overstemmen. Wie tot 8,50 euro voor een voorstelling betaalt, wil meer dan een lollig beginnetje zien; niet alle tradities zijn het voortzetten waard.

Theaterfestival De Parade: 1. Dat is het punt niet van Teatro. 2. Rollercoaster van Eric Koller. 3. Waiting for the ball van Jim van der Woude en Thijs van der Poll. Gezien 20/6 Museumpark, Rotterdam. Aldaar t/m 27/6. Tournee: Den Haag 2/7 t/m 11/7. Utrecht 16/7 t/m 25/7. Amsterdam 30/7 t/m 15/8. Inl. 0900 0191 (Uitburo); www.deparade.nl