Een kwestie van geduld

Het akkoord van de Europese regeringsleiders over een nieuw grondwettelijk verdrag voor de Europese Unie draagt alle kenmerken van een compromis. Enigszins voorbarig werd het, na afloop van de Europese top eind vorige week in Brussel, als `historisch' bestempeld. De grondwet zoals het verdrag algemeen wordt genoemd, is nog niet eens geratificeerd. Ook moeten diverse landen zich er bij referendum nog over uitspreken. De kans bestaat dat de burgers in een van de lidstaten – het eurosceptische Groot-Brittannië bijvoorbeeld – het verdrag wegstemmen. Er zal nog veel uitleg over nodig zijn. De vuistdikke tekst is zo hermetisch dat slechts weinigen hem zullen lezen, laat staan doorgronden. Maar deze bedenkingen laten onverlet dat er een akkoord ís. Dat is na tweeënhalf jaar duwen en trekken een klein wonder. Het grondwettelijk verdrag moet de Unie democratischer, doorzichtiger en efficiënter maken. Als de nationale ratificatieprocedures soepel verlopen en als deze doelstellingen worden gehaald, zal vrijdag 18 juni 2004 – toen de regeringsleiders hun akkoord sloten – inderdaad een belangrijke en misschien wel historische dag blijken te zijn geweest.

Inhoudelijk is de omstreden kwestie van de stemverhouding – welk land krijgt hoeveel te zeggen – naar behoren opgelost. EU-voorstellen kunnen worden aangenomen als een `gekwalificeerde meerderheid' zich ervoor uitspreekt die bestaat uit minimaal 55 procent van de lidstaten, vijftien landen en 65 procent van de EU-bevolking. Voorstellen kunnen slechts worden geblokkeerd als minimaal vier landen dat te kennen geven. Het wordt een hele rekenpartij, maar het lijkt eerlijk en zowel grote als kleine lidstaten zullen zich in dit compromis kunnen vinden. Voor Nederland is van belang dat bij de meerjarenbegroting van de Europese Unie het vetorecht voor lidstaten (voorlopig) blijft bestaan. Deze Nederlandse eis, voortgekomen uit het feit dat het land de grootste nettobetaler van de Unie is, werd terecht met verve verdedigd. Andere voorstellen hadden Nederland alleen maar geld gekost. Punten lieten de regeringsleiders liggen bij de vraag wie de nieuwe voorzitter van de Europese Commissie moet worden. Daarover bestond en bestaat nog steeds verdeeldheid. De koehandel over de benoeming van Guy Verhofstadt deed oude tijden herleven. De Belgische premier was het gemakkelijke slachtoffer van dit partijtje handdrukken onder de `groten'. Het was een wansmakelijk tafereel.

Een politiek compromis over zoiets belangrijks als een `Europese grondwet' is beter dan niets. Het zag er lang naar uit dat geen overeenstemming mogelijk zou zijn, of dat de oorspronkelijke tekst van het verdrag zou worden uitgekleed tot een voor niemand herkenbaar en dus onwerkbaar document. Dat de 25 regeringsleiders van de EU het niet zover hebben laten komen, valt te prijzen. Maar eigenlijk begint hun werk nu pas echt. Ze zullen het verdrag aan hun burgers moeten verkopen, een electoraat dat in toenemende mate kritisch of onverschillig over Europa is. Zie de recente verkiezingen voor het Europees Parlement, die een lage opkomst kenden met alleen winst voor eurosceptische partijen. Het grondwettelijk verdrag van de Unie heeft nog een lange weg te gaan. Zoals met alles wat de Europese integratie betreft, zal ook dit een kwestie van geduld zijn. Maar dat is helemaal niet slecht. Het nieuwe Europa is dat van de bescheiden ambities en herwaardering van de nationale soevereiniteit. Bescheidenheid en geduld gaan hand in hand.