Bestemmeling

Sinds zij regelmatig in Brussel komt is Rasha Peper verliefd op het Vlaams.

Op een broeierige middag in Brussel loop ik langs een etalage van waaruit een levensgrote kartonnen vrouw in rode avondjurk me toelacht.

,,Klaar om deftig te krabben?'' vraagt ze via een tekstballon. Nou, daar voel ik wel voor. Laten we eerlijk zijn: deftig krabben is een techniek die iedere dame wel onder de knie wil krijgen. Ik houd de pas in en kijk naar binnen; de zaak blijkt een `Officieel Concessionair' te zijn, zo'n winkel waar je alle soorten loten kunt kopen. Heet een kraslot in België een krablot?

Aan het woord deftig ben ik nu een beetje gewend; het betekent niets anders dan netjes, keurig. `Deftige poetsvrouw' gevraagd, staat er in het huis-aan-huisblaadje dat wekelijks bij ons door de bus gegooid wordt, `indien niet ernstig zich onthouden'. Ook deftige onthaalmoeders worden daarin gevraagd, en ernstige buitenwippers (uitsmijter). Dat heeft wel wat. Als kind of als discoganger gedraag je je vanzelf een stuk gedisciplineerder bij een deftige onthaalmoeder of tegenover een ernstige buitenwipper, dunkt me.

Sinds ik regelmatig heen en weer pendel tussen Amsterdam en Brussel (waar mijn wederhelft voor de Europese Unie werkt), ben ik verliefd op het Vlaams (vooral als er geen Blok aan vastzit). Uiteraard ben ik me ervan bewust dat het Vlaams voor een Nederlander een heel andere gevoelswaarde heeft dan voor een Vlaming. Zo zoet archaïsch, zo grappig en `schoon', zo onweerstaanbaar gemoedelijk als het mij in de oren klinkt is het voor een Belg natuurlijk niet; op die manier denk je niet over je eigen taal.

Een kenner ben ik nog allerminst. Ik hoor het niet eens vaak spreken, alleen in winkels of op straat. Mijn ervaringen met de taal beperken zich voornamelijk tot het geschreven woord. Vlaamssprekende kennissen heb ik nog niet, die doe je in de internationale gemeenschap van Brussel niet snel op, en de stad lijkt toch hoofdzakelijk Franstalig. Maar als ik op een straathoek een jongen met een hond zie die de hondenriem overgeeft aan een hem tegemoet lopende oude man en ik hoor die man vragen: ,,Heeft 'em braaf geweest?'', dan smelt ik meteen. Zo slaat er ook een lichte ontroering toe als er in een tunneltje waar ik vaak doorheen loop een kleine lekkage blijkt te zijn, waarbij men een keurig bordje heeft geplaatst. `Opgepast voor uitglijden wegens watersijpeling.'

En laten we het onvermijdelijke woord sappig maar weer eens van stal halen. In de Marollen passeer ik twee fraai uitgedoste vrouwen van wie de een zich samenzweerderig naar de ander overbuigt en zegt: ,,Ge moet 'em meer op z'n honger houwen, da's de hele kunst!''

Terwijl ik hierover nog loop te piekeren, krijg ik op de Avenue Louise door een actiegroep een sticker op mijn bloes geplakt als beloning voor het feit dat ik me in deze razende autostad te voet verplaats. Het blijkt `de week van de zachte weggebruiker' te zijn.

Bij thuiskomst staat net de postbode bij de voordeur, in een moeizaam Engels gesprek verwikkeld met een Japanse die eveneens in dit pand woont. Er is een probleem. Hij heeft bij haar aangebeld, maar het pakje dat hij vasthoudt is niet voor haar en geen van beiden herkent de naam van de geadresseerde op het bellenpaneel vol buitenlandse namen. Kan ik misschien helpen? Ik werp een blik op het pakket en als de postbode in de gaten heeft dat hij met mij zijn moedertaal kan spreken, vraagt hij hoopvol: ,,Zijt gij soms deze bestemmeling?''

Nee, dat ben ik niet en ik weet evenmin wie het dan wel is, dus hij steekt er niet meer tijd in en gaat een formuliertje invullen.

De vraag blijft me de hele dag bij. Zijt gij deze bestemmeling?

Bijbelse woorden. Een magisch zinnetje. Poëzie die van Greshoff, Walschap of Daisne zou kunnen zijn. Een alledaagse vraag die zomaar naar sferen van `zijn of niet zijn' voert, naar de mystiek van Hadewijch, als je wilt. Ik heb u bij de naam genoemd. Waarom antwoordt gij niet?

Kom daar eens om bij een Nederlandse postbode!