Wilde natuur (2)

De Partij voor de Dieren heeft in Nederland bij de verkiezingen voor het Europees Parlement 153.432 stemmen gekregen, 3,2 procent van het totaal aantal stemmen. Voor een zetel is 3,7 procent nodig. Ik vind het jammer, maar toch, als je al die mensen bij elkaar zou zien, samen in een stad zou verzamelen, had je een stad ter grootte van Almere. Welk dier zou daar niet willen wonen? Sprookje. Onder de Nederlandse dieren gaan nu de verhalen rond over plannen tot het stichten van een stad waar alleen mensen wonen die op de PvdD hebben gestemd.

Ik meen het. Het is geen dierensprookje, maar een mensensprookje. Vorige week betoogde ik hier dat we in Nederland nog wel wilde natuur hebben, maar dat die, paradoxaal genoeg, de best beschermde natuur is, opgeborgen in reservaten. Onze echte natuur zag je in de weilanden, de achtertuinen met de kippen- en konijnenhokken. Op straat, verpersoonlijkt door het paard van de schillenman, de groenteboer. Die gereguleerde Hollandse natuur wordt steeds zeldzamer. Wil je weten hoe het was, kijk dan naar de doeken van onze beroemde landschapsschilders.

Verder leerden de kinderen de natuur kennen uit de sprookjes, of de gewone verhalen. Het eerste natuurverhaal dat ik me goed herinner is me verteld door mijn moeder. Het gaat over een pinksterbloem die, zich welbewust van haar schoonheid, in de berm van een landweg staat te bloeien. Daar komt huppelend een klein meisje aan. De bloem wordt geplukt. Het doet wel even pijn, maar toch is ze blij, want, denkt ze, nu kom ik in een mooi vaasje in de huiskamer van een aardige familie. Maar plotseling denkt het kind: wat moet ik eigenlijk met dat bloempje. Ze laat het vallen en huppelt verder. De pinksterbloem gelooft dat ze straks wel weer zal worden opgeraapt. Maar er komt niemand meer, en langzaam ligt ze in de gloeiende zon te verdorsten. Einde verhaal, de kleine Montag in tranen. Heeft daarna altijd weggegooide bloemen van straat opgeraapt en ergens achtergelaten waar ze konden drinken.

Veel later kreeg ik de oorspronkelijke, in eigen beheer uitgegeven Verhalen van Belcampo in handen. In één daarvan, ik weet niet meer welk, vertelt hij, hoe de heilige Franciscus van Assisi op de fiets, luid bellend, over een verlaten landweg rijdt. Hij komt een goede bekende tegen die hem vraagt: Waarom bel jij de hele tijd? Er is toch niemand te zien? Franciscus vraagt: En de insecten dan? In dezelfde bundel staat – dat moet ik toch ook even vertellen – het verhaal dat heet Gnirekezrev Egagab. Deze Egagab is directeur van de Koninklijke Groenlandse Walvispesterijen. De walvissen liggen in dokken, met een soort koptelefoon op, maar dan met vangbakken onder hun ogen. De dieren worden gepest, moeten huilen. Hun tranen worden in deze bakken opgevangen, en zo wordt het walvistraan verkregen. Het dochtertje van Egagab heeft medelijden, gaat stiekem de walvissen aaien, geeft ze lekkers. Van aandoening moesten de walvissen nog harder huilen. Egagab staat verbaasd, denkt dat zijn dochtertje `nog verfijnder pesterijen' heeft bedacht. Hij ontdekt haar geheim. Dan volgen er nog wat verwikkelingen. Ten slotte worden de walvissen op een nieuw regime gesteld: zes dagen pesten, één dag aaien. Toen Belcampo dit schreef, in de jaren twintig, had niemand van een bio-industrie gehoord. Dit is een voorloper.

De verdienste van oude diersprookjes is, dat het kind zich met het dier vereenzelvigt. Kinderen hebben hun speelgoedbeertjes, hondjes, poesjes waarmee of met wie ze een intieme verstandhouding opbouwen. Knuffels, heten ze tegenwoordig. Die relaties onderschat ik niet. Er is thuis een hond, een kat. Zo'n huisdier wordt ook een personage. Maar daarbuiten? Ik weet het niet. Muizen worden getrakteerd op muizenkorrels waardoor hun ingewanden oplossen. Spinnen worden sowieso meteen doodgeslagen. Gelukkig zijn er geen vliegenvangers meer, die lange spiraalvormige stroken dik papier, bestreken met een kleverige substantie waaruit een vlieg zich niet meer los kan maken. Wilde je de doodsstrijd van een insect zien, dan was daar de vliegenvanger.

Een paar weken geleden las ik ergens – de hemel mag weten waar – een wat modern-ironisch artikel over de partijen voor de dieren. Vroeger, was o.a. de strekking, deden de mensen niet zo sentimenteel. Zijn `vroeger' was de negentiende eeuw. Tot slot citeer ik, bekort, iets uit de memoires van een oude haas, zoals opgetekend door J.-P. Stahl (pseudoniem van Jules Hetzel, 1814-1886). `Op een ochtend, na de hele nacht door het veld te hebben gerend, werd ik wakker van twee donderslagen en een afgrijselijk geschreeuw. Mijn moeder lag zieltogend op de grond. Vermoord. In die ene seconde had ik geleerd wat een geweer, wat rampspoed, wat de Mens is. Haar dood was nog maar het begin. Een koninklijke jachtpartij, dat was het. Een slachtpartij, de godsganse dag. Overal lijken, overal bloed .... Vijfhonderd doden op één dag.'

Nu zou ik graag dat sprookje willen lezen over de stad die uitsluitend wordt bewoond door stemmers op de PvdD. Ze hoeven niet allemaal vegetariër te zijn, niet zich bereidwillig door een mug te laten steken, mogen bang zijn voor spinnen, de pest hebben aan muizen en mieren in de keuken (al komen die daar op uitnodiging, wegens de kruimels die u er hebt laten vallen). Geen fundamentalisten, maar gewoon mensen die weten wat een dier is. Stel je voor dat er onder de dieren eens het initiatief werd genomen tot het oprichten van een Partij voor de Mensen. Wie zou daar op stemmen? Honden en katten, ook niet allemaal, en daarmee heb je het wel gehad.