`Wij bieden onze kinderen een duidelijk spoor'

Bijzondere scholen moeten allochtonen kunnen weigeren, vindt wethouder Wisse Bron van Staphorst. ``Anders ondergraaf je je principes.''

DE GEMEENTE Staphorst, tussen Zwolle en Meppel, bestaat uit drie kerkdorpen: Staphorst, IJhorst en Rouveen. Van de 15.665 inwoners gaan er 2.103 naar de basisschool. De gemeente telt tien basisscholen: twee openbare en acht bijzondere. Van die acht christelijke scholen zijn er vijf op reformatorische grondslag. Daar mogen jongens geen korte broek dragen, en meisjes geen lange broek. Men werkt er met de bijbel als leidraad, en dan bedoelt men de bijbel ``zoals die verstaan wordt door de Reformatie''.

Ws. Bron – de s verwijst naar Wisse, anders denken mensen dat het Willem is – is wethouder onderwijs van Staphorst. Hij is een van de twee onderwijswethouders namens de Staatkundig Gereformeerde Partij in Nederland, de andere zetelt in Katwijk. Bron, geboren in het Friese Opsterland, begon in 1976 in Staphorst als directeur vormingswerk, sinds zes jaar is hij wethouder. Onderwijs is een van zijn negen portefeuilles. Hij is ook bestuursvoorzitter van de enige middelbare school van Staphorst, een nevenvestiging van een reformatorische scholengemeenschap met de hoofdvestiging in Kampen.

De wethouder heeft een droom. ``Ons ideaal is een staatsschool, met de overheid als Gods dienaresse. Al het onderwijs krijgt dan de christelijke identiteit. Dat wordt dan het openbaar onderwijs, maar anders ingevuld dan nu.''

Waar moeten de niet-christelijke leerlingen dan naar toe?

``Mensen die hun kinderen geen christelijk onderwijs willen bieden, kunnen dat thuis corrigeren.''

U legt uw levensbeschouwing op aan anderen?

``We spreken hier over een hypothetische situatie. Als er sprake is van een meerderheid voor een dergelijke staatsschool, is er natuurlijk ook sprake van een andere samenstelling van de bevolking.''

Toch lijkt er in die hypothetische situatie weinig ruimte voor andersdenkenden.

``Je zou ook de regelgeving kunnen aanpassen voor mensen die zich bezwaard voelen, wellicht is er vrijstelling mogelijk. Of die mensen beginnen eigen scholen, dat wordt dan het bijzonder onderwijs.''

Wat is de relatie tussen uw huidige beleid en dat ideaal?

``Ik verwacht niet dat het ideaal werkelijkheid zal worden. Maar in de dagelijkse politiek is het wel degelijk mogelijk om op grond van de bijbel te werken. Je kunt bepaalde maatschappelijke ontwikkelingen corrigeren.''

Volgende week spreekt de Tweede Kamer met de minister over onderwijs en integratie. Het kabinet ziet geen reden om artikel 23 van de Grondwet aan te passen, en bijzondere scholen te verplichten elke leerling te accepteren. Wel wil men eisen stellen aan de oprichting van nieuwe scholen. Die mogen maximaal tachtig procent achterstandsleerlingen hebben, een voorstel dat naar verwachting de stichting van nieuwe islamitische scholen onmogelijk maakt. Bron: ``De overheid heeft de Onderwijsinspectie om te controleren of de regels worden nageleefd. Als dat het geval is, gelden er geen andere beperkingen. Vrijheid van onderwijs geldt voor iedereen, ook voor islamieten.''

Bijzondere scholen mogen, omdat ze het recht hebben hun identiteit te bewaren, meer dan openbare scholen. Homoseksuele leraren weigeren bijvoorbeeld. Dat moet mogelijk zijn, vindt Bron, ``tot bescherming van beide partijen''. Hij aarzelt even. ``Op grond van de exegese zoals wij die in de bijbel lezen, is homoseksualiteit als zodanig zondig. Waarbij we natuurlijk niet de mens afwijzen. Het zou niet verstandig zijn om zo iemand voor de klas te zetten. Het correspondeert niet met onze bijbelse visie.''

Controversieel is ook het recht, onder bepaalde voorwaarden, van bijzondere scholen om leerlingen te weigeren. Als de christelijke identiteit aantoonbaar en consequent wordt uitgedragen, mogen deze scholen niet-christelijke – lees: allochtone – leerlingen weigeren. Uit onderzoek van de Onderwijsraad blijkt dat dit in de praktijk weinig voorkomt. Slechts vijf procent van de bijzondere scholen, met name de reformatorische variant, wijst allochtone leerlingen af. Toch zien D66 en VVD het bijzonder onderwijs als belangrijke oorzaak van de etnische segregatie in het onderwijs. Omdat bijzondere scholen allochtone leerlingen mogen weigeren, worden de openbare scholen in de binnensteden zwart, redeneren deze partijen. Ze willen door aanpassing van artikel 23 de rechten van het bijzonder onderwijs beperken.

Draagt het bijzonder onderwijs bij aan het ontstaan van witte en zwarte scholen?

``Dat mag je het bijzonder onderwijs niet verwijten. Turkse en Marokkaanse ouders weten heel goed hoe het zit, die hebben kennelijk een voorkeur voor openbare scholen. Ze zien liever dat er op school aandacht wordt besteed aan verschillende religies, ook de islam. Dat is minder gevaarlijk voor hen dan alleen aandacht voor het christendom.''

Wie is dan verantwoordelijk voor het ontstaan van de segregatie?

``Zwarte scholen zijn een fout van de overheid, die de allochtone gezinnen en masse in de binnensteden heeft gehuisvest. In Staphorst doen we dat anders. Wij staan onder druk van de provincie om meer asielzoekers te huisvesten. Er staat nu wel een woning leeg bij drie andere vluchtelingengezinnen in de buurt, maar we wachten liever tot er een woning aan de andere kant van dorp vrijkomt. We willen spreiden.''

Waarom moeten reformatorische scholen het recht hebben om leerlingen te weigeren?

Bron, als schoolbestuurder: ``Deze scholen zijn ontstaan vanuit een bepaalde geloofsovertuiging, daar hoort een pedagogische visie bij. Anderen gooien hun kinderen in het diepe, die kinderen moeten alles zelf uitzoeken. Wij bieden onze kinderen een duidelijk spoor waar ze heil van kunnen verwachten. Als je kinderen met andere ideeën of normen toelaat, ondergraaf je je principes. Gezagsverhoudingen zijn belangrijk, op onze scholen heerst orde en gezag. Maar dat mag geen hoofdmotief zijn voor ouders die op zoek zijn naar discipline voor hun kind. Anderskerkelijke ouders die hun kind aanmelden voor een reformatorische school, brengen hun kind in verwarring. Thuis lezen ze de nieuwe vertaling, op school de oude vertaling. Wij streven naar eenheid van kerk, gezin en school. Niemand is er bij gebaat als een leerling zich een eenling voelt.''

Staphorst heeft weinig allochtone leerlingen (23), maar des te meer zogenoemde 1,25 leerlingen (771). Dat zijn leerlingen met laagopgeleide ouders waar de school extra geld van het rijk voor ontvangt. Staphorst heeft voor deze achterstandsleerlingen een speciaal programma ontwikkeld, het `boekenbasproject'.

Bron: ``Veel kinderen van hier werden opgevoed door besse en beppe, opa en oma, omdat hun ouders lange dagen maakten op het boerenbedrijf. De ouders hadden geen voortgezet onderwijs, en spreken dialect. Doel van het boekenbasproject is om de communicatie tussen ouders en kinderen te stimuleren, en tegelijk de taalvaardigheid te verbeteren. We delen prentenboeken uit aan twee- tot zesjarigen. De boekenbasmoeders, vrijwilligsters, komen thuis langs om met ouders en kinderen te lezen. We moeten de resultaten nog laten onderzoeken, maar leraren merken dat vierjarigen met meer kennis de school binnenkomen. Ook de uitstroom richting voortgezet onderwijs verandert, we zien de laatste jaren een toename van havo- en vwo-leerlingen.''

``Omdat we zoveel 1,25-leerlingen hebben, krijgen we veel geld van het rijk voor VVE, voor- en vroegschoolse educatie. Het gaat om tonnen. Daar moet je natuurlijk wel wat mee doen, dat moet je waarmaken. Alle scholen kunnen nu gebruikmaken van een peuterspeelzaal. Eerst was er weerstand in de gemeenteraad: men wilde de kinderen hun nestwarmte laten behouden. Maar nu het een educatief doel dient, is het goedgekeurd. Je ziet ook een verandering bij de jonge generatie. Er komen steeds meer moeders met een deeltijdbaan, vanwege de hypotheek.''

U bent wethouder in een gemeente met gelijkgestemden, zonder grote tegenstellingen of problemen. Zou u wethouder willen zijn in de Randstad?

``Dat is een kwestie van Gods voorzienigheid. Ik zal het niet actief opzoeken, maar als dat op mijn weg komt, zou ik niet snel nee zeggen. Dan neem ik die taak op mij.''

Dit is het zesde deel in een serie interviews met onderwijswethouders.