Vraag vanuit de zitkuil: zijn de jaren zeventig mislukt?

Tracy Metz ziet dat het Nederlands Architectuurinstituut met een tentoonstelling over architectuur en leefstijl de discussie begint over de vraag: zijn de jaren zeventig mislukt?

Hè gatsie nee toch: een tentoonstelling over de jaren zeventig? Moest dat nou? Het idee kwam van Martien de Vletter, conservator bij het Nederlands Architectuurinstituut (en zelf in 1972 geboren). De aanvankelijke afkeer bij de collega's sloeg om in enthousiasme toen ze zich realiseerden dat dit decennium in de contemporaine architectuurgeschiedenis een onontgonnen gebied is (en dat de trend allang is opgepikt bij bijvoorbeeld H&M, waar de winkels volhangen met jurkjes met de grote bloemenprints van toen). Vandaag gaat in het NAi de tentoonstelling Woonerven en zitkuilen open. Binnenshuis circuleert er nog een andere naam die naar de tijdsgeest van toen verwijst: partnerruil in de zitkuil. Over dat aspect van die tijd zal Jord den Hollander later dit jaar een lezing geven, over de relatie tussen de seksuele vrijheid en het woonerf.

In de eivormige ruimte die NL Architects voor de tentoonstelling hebben ontworpen is het alles aksie en eksperiment wat de klok slaat. Het behang is van riet en van kurk, de kleuren zijn bruin en oranje en de stoelen van plastic en rotan. De meubels zijn geen museumstukken, maar requisieten van het NOB, dus je er kunt rustig op gaan zitten en de herkenning – of het afgrijzen – in golven over je heen laten spoelen. En in de nagebouwde zitkuil kun je, al dan niet opnieuw, de sensatie van het dicht bij de aarde zitten weer ophalen, nu als museale ervaring. (Je kreeg er pijn van in je rug en je benen vielen in slaap, maar kennelijk hoorde dat zo). Op de foto's zit iedereen op de vloer, de meisjes zijn aan het breien of voeren in het kielzog van hun langharige vriendjes actie tegen de afbraak van de volksbuurten van Amsterdam, destijds een armzalige stad vol brokkelige gaten.

De nieuwe gebouwen op de foto's en schetsen hebben steile scheve daken, of het zijn aan en op elkaar gestapelde doosjes zoals Hertzbergers Centraal Beheer in Apeldoorn of de `Kasbah', woningen op palen van Piet Blom in Hengelo, die hoopte dat er op het maaiveld onder de woningen van alles zou gebeuren, zoals toneelspelen en muziek maken (er werd uiteindelijk vooral geparkeerd in die donkere ruimte). Of het zijn doolhoven van aan elkaar geregen eengezinswoningen in de stedenbouwkundige vorm die het symbool zou worden van dit decennium, het woonerf. Gepunnikte gebouwen als lange slierten van één recht één averecht, in hun eindeloze herhaling knus maar vormeloos, en vooral: kleinschalig.

NIEUWE TRUTTIGHEID

Treurig maar waar: aan de jaren zeventig heeft Nederland geen hoogstaande architectonische nalatenschap overgehouden. ,,Er werd een halt toegeroepen aan de macho-stedenbouw'', zegt Pi de Bruyn in een van de korte films die Sandra Parry voor de tentoonstelling maakte, ,,maar er kwam een miezerig en muizerig denken voor in de plaats.'' En in de begeleidende publicatie geeft Adri Duivesteijn, oud-directeur van het Architectuurinstituut en nu PvdA-kamerlid, zonder omhaal lucht aan zijn teleurstelling: ,,Als architectonisch product zijn de jaren zeventig mislukt.''

De expositie is er niet minder interessant of belangwekkend om. Dit is het eerste onderzoek naar een tijd waarin de bouwproductie, ondanks al het gemummel over kleinschaligheid (door Carel Weeber, architect en plaaggeest, `de Nieuwe Truttigheid' genoemd), relatief groot was. Het bewijs zit op de gekopieerde bladzijden uit het tijdschrift Bouw die als behang dienen. Bovendien wordt dit decennium gekenmerkt door een intrigerende paradox: zo revolutionair en van opstand vervuld als het was, met drugs, vrije seks en verzet tegen het bevoegd gezag, zo traditioneel en introvert was de woningbouw die het voortbracht.

Op het gebied van publieke gebouwen waren er wel een aantal goedbedoelde pogingen om de nieuwe openheid in architectuur te vertalen. Een bekend voorbeeld is het gebouw De Meerpaal in Dronten van architect Frank van Klingeren. Hij zocht de `ontklontering', het ensceneren van ontmoetingen door het weghalen van muren en het mengen van functies in multifunctionele ruimtes. Het werkte niet – maar er is wel een serieus boek over zijn werk verschenen van Marina van den Bergen en Piet Vollaard, wellicht een teken van een herlevende belangstelling voor deze periode. Sterker nog, na lang procederen blijft het gebouw behouden.

Het grote publiek had weinig moeite met de `nieuwe truttigheid'. Velen vonden het kleinschalige een verademing na de van hogerhand opgelegde kolossen van het vorige decennium zoals de Bijlmer en het Maupoleum in Amsterdam. Wat dat betreft hebben de jaren zeventig ook veel met nu gemeen: met de Vinex-locaties is het niet anders, daar wordt veel over gemekkerd behalve door degenen die er wonen. Bovendien kreeg de buurtbewoner eindelijk wat te zeggen – hij kreeg het woord niet, hij nam het – over de stadsvernieuwing, een van de grote thema's van die periode. Ook al woonde diezelfde buurtbewoner van bijvoorbeeld de Nieuwmarkt of de Dapperbuurt allang in Purmerend of Almere als de bouw klaar was. De Amsterdamse inspraakavonden waren berucht om hun hevigheid (en hun lange duur), en niet alle architecten konden zoveel betrokkenheid cq bemoeizucht aan. Carel Weeber wel: ,,Je moest weten om te gaan met het publiek en doen wat je zelf leuk vond. Het ging er niet om dat de bewoner kreeg wat hij wilde, maar dat hij wilde wat hij kreeg!''

BEWAREN OF SLOPEN

Waarom wilde het NAi bij nader inzien toch een expositie maken over een tijdperk dat qua architectuur en stedenbouw niet bijster veel heeft opgeleverd? De Vletter: ,,Veel projecten uit die tijd staan op de nominatie om te worden gesloopt of gerenoveerd, maar er is nooit discussie geweest over wat deze periode heeft opgeleverd en wat je waarom zou willen bewaren of slopen. Toen ook al niet, hoor, in de jaren zeventig ging het helemaal niet over architectuur maar alleen over sociaal-maatschappelijke vraagstukken. Er is heel weinig over deze periode geschreven, de informatie voor de tentoonstelling kwam voor een groot deel uit oude jaargangen van het tijdschrijft Bouw. Het is onze taak als Architectuurinstituut om dat onderzoek op te pakken en dat debat te openen.''

Het instituut heeft nog een eigen `interne' reden om zich over deze periode te buigen: de collectievorming. ,,Voor de jaren vijftig en zestig is er al actief aan acquisitie gedaan, maar de collectie houdt nu op bij 1970. Als deze generatie architecten komt te overlijden, komen er grote aantallen archieven vrij. Het NAi moet dan voor zichzelf hebben bepaald welke thema's en oeuvres van belang zijn voor de collectie.''

Hoewel onbekend en onbemind vertonen de jaren zeventig nogal wat overeenkomsten met onze tijd. Dezelfde thema's beleven een revival: inspraak van de burger in de politiek, veiligheid van de buurt, de verhouding tussen publiek en privaat. Misschien is er nog een andere overeenkomst tussen toen en nu, waar conservator Martien de Vletter in haar essay in het begeleidende boek naar verwijst: de combinatie van bevrijding en benauwenis. ,,De herinneringen aan dit decennium zijn vertroebeld door de grote veranderingen die Nederland destijds heeft doorgemaakt. Geen enkel decennium is zo getekend door conflicten en tegenstellingen als de jaren zeventig.''

Tentoonstelling: 'Woonerven en zitkuilen', t/m 3 okt. in het NAi. Boek: `De kritiese jaren zeventig. Architectuur en stedenbouw in Nederland 1968-1982'. Excursies: 25/6 Rotterdam en Zoetermeer, 11/9 Amsterdam en Almere, 18/9 Utrecht, Apeldoorn en Hoevelaken. Lezingen 2/10: Joep Habets over de keuken, Jaap Huisman over het interieur en Jord den Hollander over de relatie tussen de seksuele vrijheden en het woonerf. Inl. 010 440 1200 en www.nai.nl.