Uit de klauw

Maai de giftige Reuzenberenklauw en het exotische onkruid komt des te talrijker weer terug. Een schimmel kan de woekerende plant wel klein krijgen, blijkt uit Wagenings onderzoek.

DE REUZENBERENKLAUW is een sieraad voor uw tuin. Met zijn spectaculaire witte bloemschermen en sappige, soms wel drie meter hoge stengels steelt hij de show.

Oorspronkelijk hoort de plant thuis in de Kaukasische bergen. In de loop van de negentiende eeuw werd hij populair op buitenplaatsen en landgoederen in West-Europa. Tegenwoordig zie je hem in ieder tuincentrum, en ook steeds vaker in het wild. Heracleum mantegazzianum groeit op vochtige, voedselrijke gronden, vooral in West-Nederland en langs de grote rivieren. De eerste meldingen uit het wild zijn van omstreeks de vorige eeuwwisseling. De afgelopen 30 jaar is het hard gegaan. In natuurgebieden, langs oevers en in natuurvriendelijk beheerde stadsplantsoenen wordt de nieuwkomer een ware plaag. Goedbeschouwd is het bepaald geen sympathieke plant. Bladeren en stengels dragen stijve haartjes, die bij aanraking voor wondjes zorgen. Uit de bladklieren komt furocumarine vrij, een stof die door de huid heendringt. Onder invloed van zonlicht kunnen blaasjes en zelfs lelijke brandblaren ontstaan.

De plant heeft een enorme groeikracht. In april verschijnt een klein rozetje, een maand of twee later staat hij meer dan manshoog in volle bloei. Eén plant kan 170.000 zaden produceren, die wel zeven jaar kiemkrachtig blijven en zich ook verspreiden via stromend water, waarin ze wel drie dagen blijven drijven. ``Voor groenbeheerders wordt dit een probleemplant'', zegt bioloog drs. Barend de Voogd, gastonderzoeker bij de vakgroep Biologische Bedrijfssystemen in Wageningen. ``De plant is zo opdringerig dat hij andere soorten verdringt. Sommige terreinbeheerders zouden de soort het liefst helemaal uitroeien, omdat hij overlast veroorzaakt en de aanwezige flora verdringt. Anderen willen hem vooral intomen.

``In natuurgebieden, waterwingebieden en stadsplantsoenen is men vaak terughoudend met spuiten. In plantsoenen en langs wandel- en fietspaden is de Reuzenberenklauw extra hinderlijk. Maaien helpt niet, integendeel. De planten keren daarna des te talrijker terug. In ecologisch beheerde stadsplantsoenen die nu door Reuzenberenklauw overwoekerd raken worden de planten vaak uitgestoken. Dat gebeurt bijvoorbeeld in Rotterdam en Groningen. Maar in uitgestrekte parken en natuurgebieden is dat onbegonnen werk.''

In 2002 begon een EU-project naar duurzame en doelmatige beheersmethoden voor de Reuzenberenklauw en andere exoten zoals de Japanse duizendknoop, die wel een meter diep wortelt en de giftige klimop `poison ivy' die in Nederland pas van één groeiplaats bekend is.

kaukasus

Binnen dit project is vooral in Denemarken, waar men terughoudend is met chemische bestrijdingsmiddelen, veel berenklauwonderzoek verricht. Zo hield Charlotte Nielsen van het Danish Centre for Forest, Landscape and Planning in Horsholm een veldexpeditie naar de Kaukasus om te zien waarom de plant daar geen woekerplant wordt. Die vraag is nog niet beantwoord. Wèl trof ze allerlei organismen op en om de plant aan, zoals keverlarven die het wortelstelsel zo snel aanvreten dat de plant verzwakt raakt.

Barend de Voogd en zijn collega dr.ir. Meindert de Jong kwamen met de Deense onderzoekers in contact naar aanleiding van hun eigen plan voor biologische bestrijding met behulp van een schimmel. Die kan als bioherbicide op de jonge planten worden gespoten. De schimmel dringt de wortels van de berenklauw binnen en verzwakt de plant. Het gaat om de schimmel Sclerotinia sclerotiorum, die in elke schep grond alom aanwezig is. In de land- en tuinbouw is hij berucht. Hij kan meer dan 400 verschillende plantensoorten aanvallen, waaronder vrijwel alle cultuurgewassen, behalve granen. Hij wordt wel de `rattenkeutelziekte' genoemd vanwege de grijs-zwarte, op rattenkeutels gelijkende sporendoosjes (sclerotiën) waarmee de schimmel in het veld overwintert, al dan niet op gewasresten. Zijn sporen worden door de wind verspreid. ``Volgens agrariërs is deze schimmel erg gevaarlijk'', zegt de Voogd. ``Maar het gebruik als mycelium in een niet-agrarische omgeving is niet te vergelijken met het sproeien van een veld-brede sporenoplossing.''

De Voogd en De Jong kweekten een culture van Sclerotinia in het laboratorium. Ze spoten een vloeibare oplossing van het schimmelweefsel (mycelium) met een plastic doseerfles op 17 berenklauwplanten in een gemeenteplantsoen, met toestemming van de beheerder. Het proefveldje stond al minstens vijf jaar vol Reuzenberenklauw. Ze bespoten maar één helft, vroeg in de lente, als de planten nog jong, sappig en niet verhout zijn. Na zes weken was een groeistoornis van het buitenste, jonge blad te zien, verder groeiden de planten gewoon door. In de loop van de zomer werden alle planten gemaaid. Na de maaibeurt kwamen er in augustus op de behandelde helft van het veldje alleen maar vergeelde dwergplanten terug. Een jaar later kwamen sommige planten weer op, maar na een nieuwe maaibeurt overleefden uiteindelijk maar 4 van de 17 bespoten planten. De schimmelziekte had hun wortelstelsel in anderhalf jaar tijd volledig uitgeput.

De Voogd: ``In ons veldexperiment ontstond geen luchtmycelium op de planten. We troffen geen sclerotiën aan op de plantresten of in de grond en in het voorjaar zagen we ook geen geslachtelijke vruchtlichaampjes met ascosporen. En voor zover bekend is de schimmel niet in staat om zelf via de bodem een gastheerplant op te zoeken omringende vegetatie wordt niet aangetast. En volgens Deense onderzoekers komt deze schimmel van nature op de Reuzenberenklauw voor.''

risico-analyse

Op de open plek verschenen andere soorten, zoals winde, nagelkruid, paardebloem en zevenblad. Andere proeven waarbij de planten pas later in het seizoen, in mei, augustus of oktober werden bespoten hadden niet het gewenste effect. De Voogd: ``De timing van de conditie van plant èn schimmel luistert kennelijk nogal nauw. We willen graag nader onderzoek en risico-analyse gaan doen naar een veilige en praktische toepassing. We zijn nu op zoek naar partijen die willen meehelpen om het product verder te ontwikkelen.''

De Wageningse onderzoekers zoeken dan ook contact met provincies, waterschappen en gemeenten. ``We lopen hier mee in de praktijk vooruit op de beleidsnota exotenbeheer van het ministerie van LNV, die al geruime tijd in de maak is. Zo kan Nederland zijn achterstand op het buitenland aardig inlopen. En het zou mooi zijn als al die partijen vanuit hun verschillende koninkrijkjes samen aan de slag gaan.''

Platform Landelijke Activiteiten Reuzenberenklauw (LARb). E-mail: barend.devoogd@wur.nl