Regenten onder elkaar

Na de aanval op het poldermodel van de sociale partners lijkt het kabinet-Balkenende een tweede front te openen. Ditmaal is de lokale autonomie het doelwit. Althans, zo stellen de verenigde gemeenten het voor. Zij verwijten het kabinet ,,regentesk'' en ,,centralistisch'' optreden en klagen dat de lokale overheid een bestuurlijk ,,afvoerputje'' dreigt te worden. Directe aanleidingen voor deze klachten zijn de voorgenomen afschaffing van de lokale onroerendzaakbelasting (OZB) en de invoering van de gekozen burgemeester. Deze week leidde deze laatste zelfs tot aanbieding van een petitie als een moderne variant op het smeekschrift der edelen uit de geuzentijd. De twee direct betrokken bewindslieden Remkes en De Graaf (Binnenlandse Zaken en Bestuurlijke Vernieuwing) zeiden eerder zich niet te herkennen in de kritiek.

Zelf weten lokale besturen ook wel iets van regentesk handelen. Zie bijvoorbeeld de ongevoeligheid van het Amsterdamse stadsbestuur voor de pijnlijke effecten van een drastische verhoging van de erfpacht voor modale huisbezitters. Het protest tegen afschaffing van de lokale OZB-belasting wordt gevoerd in naam van de lokale democratie. Theoretisch is daar geen speld tussen te krijgen. Lokale kiezers staan dichter bij de relatie tussen lokale doelen en financiële middelen dan de rekenmeesters in Den Haag. Eigenlijk is de OZB de mooiste belasting. Zij maakt echter onderdeel uit van een heel pakket van lokale (woon)lasten. En deze stijgen volgens een Gronings onderzoek sinds 1998 jaarlijks een procentpunt meer dan de gezinsinkomens. Regelgeving van het rijk vergroot de opwaartse druk, maar dat maakt de uiteindelijke verantwoordelijkheid van de gemeenten niet minder. Dat zij kennelijk niets kunnen of willen doen aan de autonome lastenverzwaring maakt de discussie over de lokale OZB – hoewel deze beter verdient – voor menige burger een kwestie van lood om oud ijzer.

Het beroep op de lokale democratie zou ook sterker zijn wanneer de lokale bestuurslaag niet zo'n hardnekkige loopgravenoorlog zou voeren tegen broodnodige hervorming van de regionale verhoudingen. Er zijn allerlei samenwerkingsverbanden ingesteld, maar deze worden bestierd door vertegenwoordigers van de deelnemende gemeenten. Het blijft bij ,,bestuurdersbestuur'', autoriteiten onder elkaar, zonder directe verantwoording aan de kiezers. Dat is geen reclame voor het democratisch gehalte van de samenwerking, om het woord regentesk maar niet te gebruiken.

Is de kritiek van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten dus slechts een kwestie van de pot die de ketel verwijt? Dat is te makkelijk gezegd. Er zit grond in de klacht dat minister De Graaf de gekozen burgemeester wel erg stevig doordrukt. Dat betreft overigens niet alleen de gemeenten, maar ook de Haagse besluitvorming zelf. Het heeft zijn politieke redenen – géén tweede ,,nacht van Wiegel'' – maar bot is het wel, in elk geval op onderdelen. Ook Zalm gaat er hard tegen aan met zijn afschaffing van de OZB, zonder zich van gemeentelijke bezwaren iets aan te trekken. Wellicht belangrijker nog is de nauwelijks verhulde centralisatiepolitiek van minister Remkes als het over de politie gaat. Deze is al tien jaar niet meer gemeentelijk maar regionaal. Remkes stevent nu af op een nationale politie. Dat is een wezenlijke ingreep, in de kwaliteit van het politiewerk en in basale bestuurlijke verhoudingen.

Iedere woning kent zijn ,,rumor in casa''. Ook het Huis van Thorbecke, zoals de klassieke aanduiding luidt van de bestuurslagen in ons land. Er bestaat een natuurlijke spanning tussen rijk en gemeenten. Het is gezond als deze duidelijk aan de oppervlakte komen. Het rijk heeft formeel veelal de sterkste papieren. De nationale doorzettingsmacht heeft echter grenzen. Punt uit, om met Remkes te spreken.