Omstreden Spaans waterplan gedumpt

De nieuwe Spaanse socialistische regering heeft besloten definitief af te zien van het controversiële Nationale Hydrologische Plan van de voormalige regering-Aznar. Premier Zapatero had de uitvoering ervan al in een eerder stadium stopgezet, een van zijn eerste wapenfeiten.

De Spaanse regering stelt nu voor om het watertekort in het zuiden van het land op te lossen door de bouw van verschillende ontziltingsfabrieken. Het plan van de regering-Aznar beoogde de droge, zuidelijke delen van Spanje te bevloeien met water uit de noordelijke regio's. Het ambitieuze project werd eerder al gelanceerd in de jaren van de Tweede Republiek (1931-1939), maar door de burgeroorlog werd het niet uitgevoerd. De conservatieve regering van José Aznar besloot het plan weer uit de kast te halen.

Tegen het waterplan werd vanaf het begin erg geprotesteerd door de bevolking van de noordelijke regio's van Spanje, milieu-organisaties en waterspecialisten. Vooral de watertransfer vanuit de rivier de Ebro, via een kanalenstelsel van bijna duizend kilometer lengte, stuitte op enorm protest. Gelijkaardige plannen in de Verenigde Staten en Spanje zelf wezen in het verleden al uit dat dergerlijke wateroverhevelingsprojecten achterhaald en weinig efficiënt zijn. De regering-Aznar vroeg ook hulp aan Europa voor de financiering van haar omstreden waterplan.

De fracties van het Europees Parlement, met uitzondering van de Europese Volkspartij waartoe Spanje's regeringspartij behoorde, kwamen hiertegen in opstand. Via een petitie voorkwamen zij dat de Europese Commissie de Europese bijdrage aan het Nationale Hydrologische Plan, die in totaal zo'n 8 miljard euro bedroeg, in hun jaarlijkse begroting opnam.

De Spaanse regering gaat nu ongeveer vijftien ontziltingsfabrieken bouwen of moderniseren vanaf Catalonië tot aan de regio van Alméry. Deze fabrieken moeten voorzien in 60 procent van de nodige hoeveelheid water. De rest wil de regering halen uit een beter beheer van de bestaande bronnen. Het nieuwe project zou minder dan 4 miljard euro gaan kosten in plaats van de naar schatting 4,4 miljard euro dat het project van de regering-Aznar zou gekost hebben.