Iran hoedt zijn kerngeheimen

Het IAEA twijfelt aan de bereidheid van Iran om opening van zaken te geven over zijn kernprogramma. In hoeverre probeert Iran geheime, uit Pakistan afkomstige technologie geheim te houden?

Opnieuw heeft het internationale atoomenergie-agentschap IAEA twijfel uitgesproken over de bereidheid van Iran om de ware aard van zijn atoomprogramma te onthullen. In een resolutie die in samenwerking met de VS was opgesteld door Frankrijk, Duitsland en Engeland is gisteren uitgesproken dat Iran onvoldoende meewerkt. Zelf na herhaald aandringen van het IAEA was de Iraanse informatie `onvolledig' en `onvoldoende' gebleven. Iran wordt verzocht beter zijn best te doen.

In een eerste reactie noemde de Iraanse minister van Buitenlandse Zaken Kharazi de resolutie `politiek gemotiveerd'. Toch liet hij weten dat Iran lid zou blijven van het verdrag tegen verspreiding van kernwapens (NPV). Ook zou het land blijven voldoen aan de eisen die het zogenoemde Additionele Protocol stelt. Daarin zijn het IAEA ruimere bevoegdheden gegeven.

De Amerikaanse ambassadeur bij het IAEA, Kenneth Brill, toonde zich teleurgesteld over de lankmoedige houding van het atoomagentschap. De VS, die Iran ervan verdenken aan een kernwapen te werken, hadden de Iraanse kwestie willen voorleggen aan de Veiligheidsraad. Maar gewoonlijk gaat het IAEA daartoe pas over als zijn inspecteurs actief worden tegengewerkt of zelfs helemaal geen toegang meer krijgen. Dat is het geval geweest in Irak en Noord-Korea. Iran toont zich toch inschikkelijker.

In essentie bespraken de 35 leden van de beheersraad van het IAEA deze week een voortgangsrapportage over het inspectiewerk in Iran. Het IAEA probeert er al ruim een jaar in kaart te brengen over welke nucleaire installaties Iran beschikt, waar die vandaan komen en wat er de bedoeling van is. Dat gaat niet zonder moeite.

In het najaar van 2002 rees, na een tip van een Iraanse verzetsbeweging, het vermoeden dat Iran een geheim nucleair programma bezat naast het werk in de installaties die bij het IAEA waren aangemeld. Onder de laatste valt een aantal onderzoeksfaciliteiten en een paar Duitse kernreactoren voor elektriciteistopwekking die door Russen worden afgebouwd. In februari 2003 werd toegegeven dat het Iraanse nucleaire programma inderdaad omvangrijker was was en kregen IAEA-inspecteurs gelegenheid een kijkje te nemen bij Natanz en Arak. Bij Natanz bleek een fabriek voor uraniumverrijking in aanbouw waar duizenden gascentrifuges moesten komen. De centrifuges die er al waren bleken van een oud Nederlands Urenco-ontwerp. Bij Arak werd gewerkt aan een fabriek voor zwaar water. Dat is in een speciaal type kernreactor te gebruiken.

Een aantal staten beschouwde dit al een openlijke schending van het NPV waarbij Iran al sinds 1970 is aangesloten. Maar Iran betoogde dat de centrifuges pas aangemeld hadden moeten worden op het moment dat ze in gebruik gingen. Voor de zwaarwaterfabriek gold al helemaal geen meldingsplicht.

In voorjaar en zomer van 2003 kreeg het IAEA mondjesmaat toegang tot diverse aangemelde en nog onbekende installaties. Het beeld dat daaruit oprees was niet erg geruststellend. Algauw werd het inspectiewerk bovendien zo getraineerd dat het IAEA Iran een ultimatum stelde: als niet voor 1 november opening van zaken werd gegeven zou de kwestie worden doorverwezen naar de Veiligheidsraad.

Op het nippertje kwam Iran met een omvangrijke rapportage. Al eerder was de bereidheid uitgesproken het Additionele Protocol te ondertekenen (maar het is nog steeds niet geratificeerd). Eind 2003 kwam ook de toezegging dat Iran het werk aan uraniumverrijking vrijwillig opschortte, hoewel het NPV daartoe niet verplicht. Het werk aan een toeleveringsfabriek van de verrijkingsinstallatie gaat echter op volle kracht door.

Het inspectiewerk verloopt sinds begin dit jaar vaak bijna net zo moeizaam als destijds in Irak. Inspecteurs krijgen soms geen toegang en ontvangen onvolledige, onjuiste of tegenstrijdige gegevens. Nog steeds heeft Iran niet duidelijk kunnen maken waar de sporen hoogverrijkt uranium vandaan komen die hier en daar zijn aangetroffen. Iran betoogde dat ze al op de apparatuur aanwezig waren toen die uit het buitenland werd geïmporteerd. Het IAEA lijkt deze verklaring niet te accepteren.

Eind vorig jaar werd duidelijk dat de Pakistaanse atoomgeleerde A.Q. Khan in het geheim een nucleair netwerk had opgezet voor de verspreiding van nucleaire technologie. Noord-Korea, Libië en Iran hadden daarvan geprofiteerd. Sinds die tijd staan de inspecties in Iran in een ander teken: het IAEA probeert te achterhalen langs welke wegen Iran aan zijn kennis en materiaal kwam, welke tussenpersonen eraan meededen, enzovoort. Het IAEA meent ook over aanwijzingen te beschikken dat Iran veel modernere Urenco-centrifuges bouwde of wilde bouwen dan die welke in Natanz zijn gevonden.

    • Karel Knip