Het democratisch tekort van Oost-Europa zal veel geduld vergen van de `oude' lidstaten

De nieuwe EU-leden staan voor enorme problemen: een gebrekkige democratische rechtsstaat, een haperende markteconomie, en een groot deel van het electoraat dat het vertrouwen in de eigen politieke elite heeft opgezegd.

In een eerste reactie op de opkomstcijfers bij de Europese verkiezingen in de nieuwe lidstaten van de Europese Unie heeft de Poolse president Kwasniewski de Oost-Europese kiezers `onvolwassenheid' verweten. Dat de Poolse president zo reageert is begrijpelijk. Slechts een kwart van de stemgerechtigden in Polen, Estland, Letland, Litouwen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije en Slovenië heeft vorig weekeinde de gang naar de stembus gemaakt. Kwasniewski's eigen land, Polen, scoorde een beschamende 20,4 procent. Hekkensluiter van Oost-Europa was Slowakije, waar niet meer dan 16,6 procent van de kiezers de moeite nam om te gaan stemmen.

De vraag rijst wat de legitimiteit van democratische verkiezingen is als het electoraat het zo massaal laat afweten. De teleurstellende interesse van de Oost-Europese kiezers voor Brussel staat in schril contrast met de massale, euforische festiviteiten in de hoofdsteden van de toetredende landen rond 1 mei, de datum van toetreding. Zelf bezocht ik in die dagen de Hongaarse hoofdstad Boedapest en de Sloveense hoofdstad Ljubljana. Daar vierden uitzinnige menigten de `Terugkeer tot Europa' alsof het ging om het behalen van het Europees kampioenschap voetballen. Het treffendst werd het nieuwe begin gesymboliseerd door een kolossaal `Rad des Tijds', dat opgesteld stond op het Heldenplein in Boedapest. In het rad zat een zandloper die precies op 0.00 uur werd omgekeerd. De zandloper kon opnieuw gaan lopen.

Inderdaad, in Oost-Europa begon op 1 mei een nieuw tijdvak, nadat deze landen een kleine vijftig jaar hadden gekreund onder het communistische juk. Als gevolg van de toetreding tot de EU op 1 mei kregen de landen in Oost-Europa hun traditionele positie op de flank van West-Europa weer terug. Je vraagt je echter af waar al die uitzinnige mensen op de diverse centrale pleinen in de Oost-Europese hoofdsteden waren toen zij vorig weekeinde mede gestalte hadden kunnen geven aan de nieuwe machtsverhoudingen in Brussel. Waarom hebben zij hun stem niet gebruikt om essentiële kwesties die ook de Oost-Europeanen aangaan, zoals de Conventie, de hoogte van de landbouwsubsidies en structuur- en cohesiefondsen, te beïnvloeden?

Het Oost-Europese fiasco van deze verkiezingen moet voor president Kwasniewski en de post-communistische politici van zijn generatie niet helemaal onverwacht zijn gekomen. De referenda over de toetreding tot de EU die in de Oost-Europese kandidaatlidstaten in 2003 werden gehouden, gaven ook al geen blijk van grote betrokkenheid bij Brusselse zaken. Hoewel een ruime meerderheid in de kandidaatlidstaten stemde voor toetreding tot de Europese Unie, lag de opkomst in de meeste gevallen rond de vijftig procent. Alleen de Baltische landen Estland en Letland, die aan het einde van de serie referenda in de herfst van 2003 hun referendum over toetreding hielden, haalden met een opkomst van respectievelijk 63 en 72 procent nog redelijke scores. Eerlijkheidshalve moet hieraan wel worden toegevoegd dat de stembureaus een heel weekeinde openbleven en dat de staatstelevisie op zaterdagavond het electoraat nog opriep om vooral te gaan stemmen.

Wie zoekt naar de oorzaken van het wegblijven van de Oost-Europese kiezers, doet er goed aan om de realiteit van hun postcommunistische samenlevingen in ogenschouw te nemen. Al gauw zal men constateren dat in deze regio van Europa na de val van het communisme nauwelijks een nieuwe, democratisch gezinde, burgerlijke middenklasse is ontstaan. De Oost-Europese samenlevingen hebben de structuur van een piramide. Die bestaat uit een kleine toplaag – vaak leden van de oude communistische nomenklatoera – die zich via de privatiseringen heeft weten te verrijken, en een brede basis die op of onder het bestaansminimum leeft. De Oost-Europese overheden zijn zo goed als failliet en worden op de been gehouden door leningen van het IMF en de Wereldbank. Veel valt er dus niet te verdelen.

De overheid is nauwelijks of niet in staat om voor brede lagen van de bevolking fatsoenlijk onderwijs, huisvesting en gezondheidszorg te garanderen. Nu de wereldwijde economische recessie zich ook laat voelen in Oost-Europa, worden de hoge economische groeicijfers van vijf à zes procent die in de jaren negentig werden gehaald en die nodig zijn om de wederopbouw van Oost-Europa te bespoedigen, niet meer bereikt. De grote groep van have not's, en dat zijn dus vooral de modale burgers met een baan, identificeren de Europese Unie met het feit dat de EU een wettelijke basis heeft gegeven aan de privatiseringen waarvan de eigen elite geprofiteerd heeft en die in hun ogen onrechtmatig waren. Zij associëren de EU met het feit dat de prijzen veel sneller stijgen dan de lonen; en voor velen in Oost-Europa is de EU het equivalent van een onzekere toekomst.

Het kan geen toeval zijn dat Slowakije en Polen de laagste opkomst te zien gaven. Deze twee landen hebben de hoogste werkloosheid van de nieuwe toetreders, ongeveer twintig procent van de beroepsbevolking. Bovendien staan ze voor ingrijpende saneringen van onrendabele sectoren van hun economie, zoals de landbouw en de staalindustrie. De verwachting is dat daardoor de werkloosheid in deze landen verder zal oplopen. Kunnen landen met een dergelijk hoog percentage werklozen van ruim twintig van de beroepsbevolking nog wel een functionerende markteconomie genoemd worden? Nota bene: een functionerende markteconomie gold als een hard toetredingcriterium van de Europese Unie.

In een economie van schaarste wordt alles politiek. Politieke partijen en bewegingen worden banenmachines. Het gaat er dan om op het juiste moment onderdeel van de hofhouding van de macht te zijn. Daardoor worden de kansen op het naakte overleven groter, en dat geldt ook voor de kansen van kinderen en familieleden op een betere opleiding en een betere toekomst. Vandaar dat politieke partijen opzwellen als ze in de buurt van de macht komen en instorten als het omgekeerde gebeurt. In zo'n politiek klimaat loert het gevaar van continue politieke instabiliteit, kan een onafhankelijke rechtsspraak niet echt functioneren en zijn er nauwelijks onafhankelijke, kritische media.

In een dergelijke gepolitiseerde samenleving wordt het mobiliseren van het electoraat een doel op zich. László Kovács, de Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken en partijvoorzitter van de regerende Hongaarse socialistische partij MSZP die de verkiezingen in Hongarije verloor van het centrumrechtse oppositionele FIDESZ, wijt de verkiezingsnederlaag aan het feit dat zijn partij het electoraat minder heeft weten te mobiliseren dan de oppositie. De belangrijkste opgave voor de nationale verkiezingen in 2006 is volgens Kovács dan ook dat de socialisten meer kiezers moeten mobiliseren. Er wordt niet gesproken over het feit dat een substantieel deel van het Hongaarse electoraat – 61,6 procent kwam niet opdagen – geen vertrouwen meer heeft in de eigen politieke leiding, omdat zoiets basaals als de gezondheidszorg voor de gewone Hongaar binnenkort onbetaalbaar dreigt te worden. De socialistische regering-Medgyessy is voornemens de privatisering van de ziekenhuizen door te zetten, waardoor grote groepen Hongaarse burgers van primaire gezondheidszorg zullen worden uitgesloten. Paradoxaal genoeg dreigt de gezondheidszorg in het kader van de Europese Unie in een slechtere toestand te geraken dan onder het communisme, toen zij ook al niet al veel voorstelde.

Zo is een politiek klimaat ontstaan van totale politieke powerplay jegens de eigen bevolking. Bovendien is de postcommunistische politieke elite verweven geraakt met het bedrijfs- en zakenleven, die er zo hun eigen `maatschappelijke' codes erop na houden. In een dergelijke situatie is corruptie een alledaags verschijnsel. Corruptie is in Oost-Europa niet uit te roeien. In het bedrijfsleven, bij de overheid en in de maatschappelijke dienstverlening is het betalen van steekpenningen, het witwassen van zwart geld en het bevoordelen van politieke vrienden, organisaties en ondernemingen aan de orde van de dag. Er is in Oost-Europa een ondoorgrondelijk systeem van cliëntelisme ontstaan. Dat wordt nog versterkt door de privatisering en de ondoorzichtige uitbestedingen van overheidsprojecten, zoals de bouw van snelwegen. Van de 6853 overheidsopdrachten die in Tsjechië sinds 1998 zijn uitbesteed aan particuliere bedrijven, werden er slechts 1483 verleend via een `tender'. De rest ging ondershands naar `bevriende' bedrijven.

Recente studies laten zien dat de corruptiepraktijken in de nieuwe landen van de Europese Unie lijken te verergeren, ondanks allerlei overheidsinitiatieven die onder druk van de EU genomen zijn om de corruptie te beteugelen. De Oost-Europese lidstaten zakken op de corruptiebarometer, de zogeheten Corruption Perception Index van het onderzoeksinstituut Transparency International dat elk jaar een dergelijke lijst samenstelt. Landen als Tsjechië, Slowakije en Letland, de meest corrupte landen onder de recente toetreders, nemen posities die in vergelijkbaar zijn met derdewereldlanden als Marokko of Sri Lanka. Het gevolg hiervan is dat de rechtszekerheid, een belangrijke verworvenheid in de oude lidstaten van de Europese Unie, in de nieuwe lidstaten ver te zoeken is. Weinig Oost-Europese burgers hebben vertrouwen in hun eigen overheid. Ook voor West-Europese ondernemers creëert deze aantasting van de rechtszekerheid geen prettig klimaat om zaken te doen.

Het democratische tekort in Oost-Europa dat bij de Europese verkiezingen zichtbaar is geworden, is onderdeel van de structurele problemen waar de nieuwe EU-leden in Oost-Europa voor staan. Een gebrekkige democratische rechtsstaat, een haperende markteconomie, en een groot deel van het electoraat dat het vertrouwen in de eigen politieke elite heeft opgezegd. Niet alleen de Oost-Europese kiezers zijn `onvolwassen', zoals de Poolse president Kwasniewski beweert. Het heeft er alle schijn van dat de kandidaatlidstaten uit Oost-Europa op 1 mei niet klaar waren voor toetreding.

Voor de oude lidstaten van de Europese Unie komt dat slecht uit. Het is de vraag of de uitbreiding met tien nieuwe leden in een tijd van een mondiale economische recessie en tegen de achtergrond van problemen in de West-Europese samenlevingen – vergrijzing, inburgering van immigranten en allochtonen, een teruglopend vertrouwen van de burger in de overheid en in de Brusselse instellingen – wel succesvol kan zijn. In ieder geval vergt de integratie van Oost-Europa veel geduld en inzet van de oude lidstaten, zonder dat zich op korte termijn substantiële sociaal-economische verbeteringen zullen voordoen in deze regio van Europa. Het is echter beter deze conclusie tot uitgangspunt van Europees beleid te maken dan te blijven hangen in de euforie van de `Terugkeer naar Europa'. In Oost-Europa zelf is die al verdampt.

Universitair docent aan de opleiding Europese Studies van de Universiteit van Amsterdam.