Gewoon een juf met hoofddoek

De Turkse Hafize Topcu onderzocht waarom er in Nederland weinig allochtone juffen zijn.

TURKSE en Marokkaanse groepsleerkrachten zijn dun gezaaid. Waar ligt dat aan? Het begint al met een geringe belangstelling van allochtone scholieren voor het vak van leerkracht. Op de pabo's is gemiddeld 7 procent van de studenten van niet-westerse afkomst. Regionaal zijn er echter grote verschillen. Met actief werven zagen de vijf Brabantse pabo's de afgelopen vier jaar het aantal studenten van allochtone komaf stijgen van 1 procent naar 2 tot 3 procent nu.

Op zoek naar een verklaring voor het uitblijven van meer allochtone juffen en meesters zijn verschillende studies verricht. Recent verscheen `Hoezo, verschil?' van Hafize Topcu, 24 jaar, zelf leerkracht en afgestudeerd in de Interculturele Communicatie aan de Universiteit van Tilburg. Tijdens het lezen van de literatuur voor haar onderzoek maakte zij zich kwaad over het eendimensionale beeld dat haar werd voorgeschoteld over haarzelf en haar allochtone studiegenoten. ``Alle problemen die allochtone beginnende leerkrachten in hun werk tegenkomen worden versmald tot één aspect: hun etniciteit. Over hun vakbekwaamheden wordt niet gerept. `Problemen met het Nederlands? Dat komt omdat het niet je moedertaal is.' `Problemen met ouders?' `Dat komt omdat ze jou niet accepteren'. Dat vind ik iets te gemakkelijk. Mijn ervaring is dat álle beginnende leerkrachten tegen dezelfde soort problemen aanlopen. Zowel mijn Nederlandse studiegenoten als ik hadden bijvoorbeeld moeite met slecht nieuwsgesprekken, gewoon omdat daar op de pabo bijna geen aandacht voor is. Niet omdat ik Turkse ben.''

Boosheid was Topcu's drijfveer voor haar onderzoek waarin zij de ervaringen van 18 allochtone beginnende leerkrachten vergeleek met die van 14 autochtone beginners. ``Over het algemeen bleken er geen verschillen in ervaringen van beide groepen. Ik heb maar een paar incidenten kunnen noteren die met etniciteit te maken hadden. Zoals een allochtone leerkracht die van het schoolbestuur de taak kreeg als intermediair en vertaler op te treden, terwijl dit niet duidelijk was gemaakt bij zijn aanstelling. Hij vond dat hij hiermee zijn eigen klas tekort deed, en nam uiteindelijk ontslag. Wat voor alle beginnende leerkrachten geldt is dit: hoe sterker je in je schoenen staat, hoe makkelijker je met beginnersproblemen kunt omgaan. Want je moet als docent je eigen grenzen bepalen. Een allochtone leerkracht vertelde bijvoorbeeld dat rond Sinterklaastijd een ouder de klas binnenkwam, naar een zwart jongetje wees en tegen zijn kind zei `kijk, zwarte piet zit er al'. Wat doe je dan? Dat leer je niet op de pabo.''

Hafize Topcu liep eind jaren negentig stage in het onderwijs en werkte daarna korte tijd als invaller. Dat doet ze nu ook weer. Die recente ervaringen zorgen voor persoonlijke kanttekeningen bij haar onderzoek. Sinds `9/11' blijkt er veel veranderd, zo heeft Topcu inmiddels zelf hardhandig ondervonden. Deze geboren en getogen Tilburgse, deze goedlachse en goedgebekte meid draagt een hoofddoek. Dat leidde onlangs tot een hoogoplopend conflict op een school waar zij als invaller ging werken.

Het voorval vond plaats op een witte middenklasseschool. Hier kon Topcu vier dagen invallen in groep 4. ``De eerste dag wilden de kinderen alles van mij weten, dus heb ik veel verteld over mijn eigen geschiedenis, hoe mijn opa en vader hier als gastarbeider kwamen. Want dat is ook Vaderlandse Geschiedenis! Ik heb voorgedaan hoe wij als moslims bidden. De volgende dag verscheen één van de leerlingen niet op school. Haar vader wilde niet dat ik zijn dochter lesgaf. Dat vertelde hij me, samen met nog twee andere ouders, die het lieten voorkomen of zij namens alle ouders spraken. Zij eisten dat ik mijn hoofddoek afdeed als ik lesgaf en gingen enorm tekeer. Daarmee overschreden ze voor mij de normen van fatsoen. Het gaat niet om die hoofddoek, maar om de vooroordelen, de angstbeelden die zij uitspraken, dat hun kinderen ook een hoofddoek zouden gaan dragen omdat ik dat doe. Het fanatisme.''

Uiteindelijk is Topcu gebleven, omdat de directie en de andere ouders zich pal achter haar stelden. De meest fanatieke vader kreeg te horen dat hij zijn dochter niet zomaar thuis mocht houden. ``Toen voerde hij de strijd nog via zijn dochter: de juf een hoofddoek, dan zíj een petje.''

Hafize Topcu noemt het voorval `een incident'. ``Ik wil het niet groter maken dan het is.'' Toch voert dit incident rechtstreeks terug naar de kern van haar onderzoek: komen de ervaringen van allochtone en autochtone beginnende leerkrachten overeen? Volgens Topcu blijft het antwoord op die vraag `ja'. Er zijn er geen verschillen. En vanuit het perspectief van de leerkracht zal dat ook zo zijn. Je bent nu eenmaal Turk, Marokkaan, Antilliaan, zoals een ander van geboorte een blanke Nederlander is. Punt. Daar denk je niet over na als je voor de klas staat. Maar de buitenwereld doet dat kennelijk wel. Ouders kijken anders naar een juf met een hoofddoek dan naar een juf met lange blonde haren. Hoe goed de juf met hoofddoek ook is in haar vak, ze moet tegen vooroordelen opboksen waar blonde juffen nooit mee te maken hebben. En dat kan het – juist als je beginner bent en nog onzeker over je eigen kunnen – extra moeilijk maken. Dat wil Topcu wel toegeven. Want hoewel het hoofddoek-voorval haar kijk op het onderwijs niet heeft veranderd, heeft het háár wel veranderd. ``Het heeft wat gedaan met mijn naïviteit. Ik ben nog steeds een lieve, goede juf, maar ik denk nu meer na over wat ik zeg en doe. Als ouders zeggen dat ik een slechte leerkracht ben, dan is dat kritiek waar ik iets mee kan. Als ze je op je etniciteit aanvallen raken ze je kern, daar kan ik niets mee.''

Het onderzoek van Hafize Topcu is opgenomen in een serie publicaties getiteld `Hou de wereld voor de klas', uitgebracht door de vijf Brabantse pabo's en Palet, steunpunt voor multiculturele ontwikkelingen in Noord-Brabant.