Dieptegecommuniceer

De franse ambassadeur in Den Haag, Anne Gazeau-Secret, toonde zich enige tijd geleden in deze krant bezorgd over onze gebrekkige kennis van de Franse en de Duitse taal. De Nederlanders, zo hield zij ons voor, doen zichzelf daarmee tekort, want het vormt een ernstige belemmering in het economische verkeer.

Als ik begin met te zeggen dat het hun geld kost, dan lezen die Nederlanders wel verder, moet ze gedacht hebben. Nou, en dat deed ik natuurlijk ook. `Wij hebben', stelt zij, `in onze dagelijkse communicatie, met name op professioneel, wetenschappelijk of technisch gebied, een gemeenschappelijke taal nodig. Dat is in de regel wat men noemt een `derde' taal, die voor geen van beide sprekers de moedertaal is. Op zich hoeft dat geen probleem te zijn, behalve dat deze vorm van communiceren ergens ophoudt.' Met die `derde' taal wordt, neem ik aan, het Engels bedoeld, maar het wordt zorgvuldig vermeden dat expliciet te stellen. Opmerkelijk is het vervolg van haar betoog: `Een persoonlijk dieptecontact, waarbij de cultuur en gevoeligheid van elke spreker beter uitkomt, vraagt een `directere' communicatie en berust dus op kennis van elkaars taal.' Hier blijkt dat de ambassadeur geen ervaring heeft met directere communicatie in een andere taal dan haar moedertaal. Als je met iemand het avontuur van een directere communicatie aangaat in de taal van de ander, zijn de misverstanden niet van de lucht. Tenzij je die taal perfect beheerst, maar dat is slechts bij hoge uitzondering het geval. Vroeger leerden Nederlandse scholieren liefst vier talen, frist de ambassadeur ons geheugen op. Nou ik kan haar uit eigen ervaring verzekeren dat het niveau van die kennis absoluut niet toereikend is voor een persoonlijk dieptecontact. Je bent lomp, brutaal, te direct, onbescheiden, hoe zeer je ook het tegendeel nastreeft. Vandaar dat juist voor een directere communicatie het hanteren van een taal die beiden vreemd is, pijnlijke misverstanden voorkomt.

Wat bezielt de ambassadeur om zoveel onzin over communicatie over ons uit te storten? Het blijkt allemaal te maken te hebben met de uitbreiding van Europa. Wat is nu de conclusie van de ambassadeur op grond van deze nonargumenten? Hier komt het: `Het lijkt ons normaal dat de nieuwe lidstaten hun nationale taal als officiële taal in Europees verband erkend zien worden. Dat kost tijd en geld, maar het lijkt ons de moeite waard om niet alles vanuit een boekhoudkundig standpunt te bekijken.'

Hier breekt mijn klomp. Had ze mij aanvankelijk voor zich gewonnen door mij erop te wijzen dat ik, als gevolg van mijn gebrekkige talenkennis, mezelf in mijn portemonnee tref, nu mag ik daar ineens niet aan hechten. Maar Anne, dat doe ik wel. Ik vind het absurd dat omslachtige, tijdrovende en handenvol geld kostende gedoe dat alles wat op Europees niveau aan politieke standpunten en beleid te berde wordt gebracht, in alle talen van de lidstaten wordt vertaald en ik vind het nog absurder dat daar straks ook nog eens het Lets, Slowaaks, Hongaars en noem maar op bij komen. Ik stel voor dat men zich bij al die Europese instanties bedient van de taal die, zoals Anne stelt, `met name op professioneel, wetenschappelijk of technisch gebied' een vruchtbare communicatie mogelijk maakt. De communicatieve behoeften van `Europa' zijn niet van een andere orde en dat verhaal over dieptegecommuniceer is natuurlijk je reinste flauwekul. Mijn portemonnee indachtig stel ik voor om iedereen die in Europa wil meepraten een cursus Engels aan te bieden.

Prick@nrc.nl

    • Leo Prick