De beuk erin

Twee dagen na een confronterend politieverhoor pleegde een Turkse vrouw, verdacht van moord op een zevenjarig meisje, zelfmoord in haar cel. De politie valt niets te verwijten, maakte het openbaar ministerie bekend. Maar wist de politie wat zij deed toen zij de vrouw `een monster' noemde en `een ordinaire hoer'? Een reconstructie op basis van het vertrouwelijke rapport van de rijksrecherche.

`Zij lag in een natuurlijke slaaphouding op het standaardbed.' Het is de vroege ochtend van 25 september 2003 en Hanim S., 48 jaar, is dood. Negen dagen eerder is ze gearresteerd als verdachte van de moord, acht jaar eerder, op een zevenjarig Turks meisje uit Den Haag, Kumral Bagci. Ook haar oudste zoon, Evren T., zit vast. De politie heeft hun vingerafdrukken aangetroffen op tassen met lichaamsdelen van het vermoorde meisje. Evren was twaalf toen de moord gepleegd werd. Zijn vingerafdrukken kwamen later bij de politie terecht, nadat hij was opgepakt voor diefstal.

De rechtszaak tegen Evren T. wordt komende week hervat. Omdat hij in 1995 onder het jeugdstrafrecht viel, kan hij tot maximaal een half jaar cel worden veroordeeld. De zaak tegen zijn moeder eindigde afgelopen najaar met haar dood in cel 413 op het hoofdbureau van politie in Den Haag. `Zij droeg een sjaal die op het oog los was, echter onder deze sjaal had zij dezelfde sjaal dubbel gestrikt waardoor zij waarschijnlijk door verstikking om het leven is gekomen', staat op het meldingsformulier sterfgevallen en poging tot zelfdoding van de politie.

Hanim S. wurgde zichzelf met haar hoofddoek.

De zaak-Kumral Bagci was een geruchtmakende moordzaak in de jaren negentig. In juni 1995 kwam het meisje op een dag niet thuis van school. Twee dagen later werd ze gevonden: ze was door verstikking om het leven gebracht en haar lichaam was in stukken gesneden. Verdeeld over drie tassen stond het op een straathoek in Scheveningen. Enkele maanden eerder was, ook in Den Haag, het in stukken gesneden lichaam van een 43-jarige man gevonden. Een oom van Kumral volgens de politie, maar haar familie ontkende dat.

Aanvankelijk verdenkt de politie een werkloze buurtbewoner van de moord op Kumral, evenals ex-werknemers van haar vader, een zakenman. Bij een tweede onderzoek vier jaar later, in 1999, gaat zij uit van een familiedrama, zo blijkt uit een reconstructie van de zaak in de Haagsche Courant. Ondanks verschillende arrestaties blijft de zaak onopgelost. Een verband met de zaak van de `oom' wordt nooit aangetoond.

Hanim S. staat in het politiedossier genoemd als de nicht van Kumrals moeder die had gewerkt in het bedrijf van Kumrals vader. Evenals Kumrals moeder is ze een Turks-Azerbajdzjaanse, opgegroeid in een onherbergzame streek in het noordoosten van Turkije. Ze kwam zo'n dertien jaar geleden als gescheiden vrouw naar Nederland, haar kinderen volgden later. Getuigen hebben gezien dat ze Kumral op straat een snoepje gaf op de dag dat het meisje verdween. Ook staat ze in het politiedossier te boek als voormalig minnares van Kumrals vader, Famil Bagci. Die vertelde de politie in 1999 dat hij een verhouding met haar had gehad, maar die had hij verbroken toen hij werd betrapt door zijn vrouw. Dit gebeurde, zei hij, een maand voor Kumrals dood. Hanim S. gaf de verhouding in 1999 toe, na deze eerst te hebben ontkend. Famil Bagci was bang, vertelde hij ook aan de politie, dat zij tegen haar broer had gezegd tot seks te zijn gedwongen. En dat hij zou worden neergestoken door haar oudste zoon.

Daarmee deed `eerwraak' zijn intrede als mogelijk motief voor de moord op Kumral Bagci. Buitenechtelijk geslachtsverkeer is in de Turkse cultuur een van de manieren waarop de eer van een vrouw, en daarmee die van haar familie, kan worden geschonden. Als een vrouw ook nog wordt verkracht, worden zij en haar familie met haar `sociaal dood verklaard', schreven criminoloog Y. Yesilgöz en toenmalig officier van justitie Sadik Harchaoui vorig jaar in het boek Multiculturaliteit in de strafrechtspleging. De eer kan vreedzaam worden gezuiverd, bijvoorbeeld doordat de man de vrouw tot echtgenote neemt, of doordat na bemiddeling een vergoeding wordt betaald. Ultimum remedium is gewelddadige eerwraak door een mannelijk familielid van de vrouw.

Turkoloog A.H. Nauta, werkzaam aan de Universiteit van Leiden en vanaf de zomer van 2002 een jaar door de politie geraadpleegd in het vooronderzoek, achtte een relatie met de culturele achtergrond van de betrokkenen aannemelijk. ,,Ik vond dat de moord op het Turkse meisje, Kumral Bagci, een wraakachtige achtergrond had', zei hij eind vorig jaar tegen de rijksrecherche. Maar omdat eerwraak zich richt tegen de `bevlekker' van de eer, en nooit tegen een onschuldig kind, moest er iets anders aan de hand zijn. Mogelijk keerde de wraak op Famil Bagci zich tegen zijn dochter omdat onderhandelingen over een vreedzame oplossing waren gestrand. Gewapend met deze kennis ontfermt de politie zich in september 2003 over Hanim S.

Chatprogramma

De arrestantenverzorgers op het Haagse hoofdbureau van politie kennen haar, in de negen dagen dat haar hechtenis duurt, als een stille, gesloten vrouw die slecht Nederlands spreekt. Ze zit `in alle beperkingen', mag geen contact hebben met medegedetineerden, tv kijken of de krant lezen. Bij het luchten rookt ze een sigaret. Ze maakt op iedereen een stabiele indruk.

Twee rechercheurs, een man en een vrouw, verhoren haar bijna iedere dag. Hanim S. gaat daarvoor naar een nieuwe studio van de Zeehavenpolitie in Rotterdam omdat de verhoren daar kunnen worden gefilmd, wat het OM heeft gelast. Ook haar zoon wordt er ondervraagd. De verhoren, volgens een vooraf opgesteld plan, duren meestal de hele middag en gaan soms ook 's avonds door. Hanim S. eet niet, ze accepteert alleen af en toe wat water. In de regiekamer kijkt de coördinator van de verhoren toe, samen met een juridisch-forensisch psycholoog van de Forensisch Psychiatrische Dienst. Via een chatprogramma op de pc in de verhoorkamer kunnen zij de verhorende rechercheurs instrueren.

Volgens de psycholoog is Hanim S. in het begin ,,dominant aanwezig' door vragen te beantwoorden met wedervragen en door te ontkennen wat ze in eerdere verklaringen heeft gezegd. De rechercheurs vinden haar een moeilijke vrouw, vertellen ze de rijksrecherche. Ze hebben de indruk dat ze wel Nederlands verstaat, maar het niet spreekt. Bij alle verhoren is daarom een tolk aanwezig. Hanim S. reageert `vlak' op getoonde foto's, vinden de rechercheurs, en één keer ,,vol afgrijzen' op een foto van de vermoorde Kumral. Af en toe huilt ze. Dan gaat het over haar oudste zoon en de drie achtergebleven kinderen. Er is één opmerkelijke uitbarsting: in het tweede verhoor, op 17 september, als ze te horen krijgt dat de vingerafdrukken van haar zoon op de tassen staan. Ze begint te gillen, staat op, bonkt met haar vuisten op de muur, laat zich op de grond vallen.

Haar zoon Evren wordt op dat moment verhoord in de aangrenzende kamer. Hij hoort zijn moeder schreeuwen, wil naar haar toe. Volgens betrokken rechercheurs wist hij op dat moment nog niet dat zijn moeder was gearresteerd en was het niet de bedoeling dat hij dat te weten kwam. De coördinator van de verhoren en de teamleider van het onderzoek gaan naar hem toe. Ze vertellen hem dat het inderdaad zijn moeder was die hij hoorde en dat ze reageerde op bewijs tegen hem. Zijn advocaat P.J. Hoogendam dient een klacht in bij het openbaar ministerie tegen deze gang van zaken. Hij krijgt te horen dat het incident op een misverstand berust.

Op 19 september, drie dagen na haar arrestatie, legt Hanim S. een verklaring af bij de rechter-commissaris. Ze ontkent iets met de moord te maken te hebben, en zegt ook geen relatie met de vader van Kumral te hebben gehad. Ze spreekt hiermee haar verklaring uit 1999 tegen. De rechter besluit haar voorarrest te verlengen. ,,Het viel me op dat ze opvallend vriendelijk en rustig was', zegt haar advocaat M.R. Mantz die haar toen voor het eerst en het laatst ontmoette. ,,Haar zoon zat vast en het was een grote zaak, emotioneel beladen. Maar zij was buitengewoon prettig.' Mantz kende via zijn werk mensen uit haar geboorteplaats en kreeg naar eigen zeggen makkelijk contact met haar. In tegenstelling tot de rechercheurs heeft hij de indruk dat haar Nederlands redelijk goed is. ,,Er was een tolk bij, maar die hoefde niets te zeggen.'

Zesde verhoor

Vier dagen later, op de ochtend van 23 september, wordt Hanim S. voor de zesde keer verhoord. Omdat zij nog altijd niets heeft verteld, hebben de leiders van het onderzoek besloten tot een eenmalige andere, harde benadering. Deze wordt uitgevoerd door twee andere rechercheurs, opnieuw een man en een vrouw, degenen die tot dan toe haar zoon hebben verhoord. ,,De beuk moest er als het ware in', zegt een van hen tegen de rijksrecherche. ,,Een van de feiten waarmee we haar wilden confronteren waren echte tegenstrijdigheden in haar verklaring met betrekking tot het motief van de moord op Kumral Bagci. Een ander feit was de uitspraak van de vader van Kumral Bagci, die had verklaard dat hij voor de moord op zijn dochter een seksuele reatie had gehad met de verdachte S. en dat hij op enig moment op het nachtkastje geld voor haar had achtergelaten.' Ze zegt dat ze Hanim S. om die reden tijdens het verhoor een `ordinaire hoer' heeft genoemd.

Het `confronterende verhoor' duurt van kwart over elf tot kwart voor twee. In haar vertrouwelijke rapportage wijdt de rijksrecherche, die de band bekeek, er één zin aan: ,,[naam van de rechercheur] noemt verdachte een aantal keren `hoer', `een slechte moeder', `een monster'.'

Dat er meer aan de hand is, blijkt uit aantekeningen van de Haagse advocaat A.H. Westendorp, door de nabestaanden van Hanim S. in de arm genomen na haar dood. Op zijn verzoek krijgt hij de videoband ook te zien op het kantoor van de rijksrecherche. Hij noteert onder meer de volgende uitlatingen van de rechercheurs.

`Je hebt het kind ritueel afgeslacht omdat hij niet wilde trouwen met zijn neukertje.'

`Je bent een ordinaire hoer, monster, een beest. Je offert je eigen zoon op.'

`Ze maken je zoon af als hij als moordenaar wordt aangewezen. Je hebt dan zijn dood op je eigen geweten; van je eigen kind.'

Hanim S. reageerde nauwelijks, zegt Westendorp. ,,Zij zei alleen `ik weet van niets'. Ze zat daar heel stilletjes. Ze werd alleen maar stiller en triester.' In de woorden van de verhoorcoördinator: ,,S. bleef zeer afstandelijk.' Volgens de rechercheurs eindigt een confronterend verhoor altijd rustig, zodat de verdachte ,,weer in een normale gemoedstoestand' naar de cel teruggaat. Dit gebeurt, verklaart hij, bijvoorbeeld door het over de `hobby's' van de verdachte te hebben. Later die middag wordt S. nog een keer rustig verhoord door haar `eigen' rechercheurs. Ook dan legt ze geen bekentenis af.

De dag na het confronterende verhoor blijft Hanim S. in haar cel. De arrestantenverzorgers noteren geen bijzonderheden. 's Avonds laat vraagt ze tweemaal om maandverband. De volgende ochtend opent een stagiair de celdeur om haar te laten luchten voor ze naar de rechtbank gaat. Dan blijkt ze overleden.

De rijksrecherche stelt een onderzoek in, zoals gebruikelijk bij sterfgevallen in detentie. Volgens het openbaar ministerie in Den Haag levert dat geen sporen op die erop zouden kunnen wijzen dat een ander dan zijzelf betrokken is bij haar dood. De patholoog van het Nederlands Forensisch Instituut verklaart dat iedereen die fysiek in staat is zijn handen te gebruiken zichzelf kan wurgen. De aanwezigheid van de hoofddoek in de cel is volgens het OM niet verwijtbaar. `Indien er geen aanwijzingen zijn dat een verdachte suïcidaal is, dan mag een verdachte dergelijke kledingstukken behouden', aldus het OM in een persbericht over de zaak.

In het `voorschrift ingeslotenen' van de Haagse politie staat alleen dat iemand bij insluiting moet worden gefouilleerd op `gevaarlijke voorwerpen' als riemen, veters, bretels' en `voorwerpen waarmee de ingeslotenen zichzelf of anderen letsel kan toebrengen'. `Te denken valt aan voorwerpen die kunnen worden ingeslikt of die gemakkelijk kunnen worden gebruikt om zich te verhangen.'

Bij het onderzoek van de rijksrecherche komt aan het licht dat Hanim S. in 1999 ook al een zelfmoordpoging had gedaan en onder behandeling was van een psychiater. Volgens het OM wist de politie uit afgeluisterde gesprekken alleen dat zij problemen had waarvoor ze hulp kreeg. Meer kon de politie niet te weten komen, zegt het OM, gezien de vertrouwelijkheid van medische gegevens.

Monteur in regiekamer

De rijksrecherche onderzoekt ook of ,,de druk die tijdens de verhoren was opgebouwd heeft bijgedragen tot het besluit om suïcide te plegen'. De psycholoog die als gedragsdeskundige toezicht hield op de verhoren hoorde pas na haar dood van het psychiatrische verleden van Hanim S. Maar ook met die kennis vindt hij het confronterende verhoor achteraf toelaatbaar, vertelt hij de rijksrecherche. Hanim S. kwam op hem over als een ,,harde vrouw'. Wel heeft hij het verhoor ten dele gemist, doordat in de regiekamer net een monteur bezig was met het verhelpen van een technisch probleem. Hij zegt niet gehoord te hebben dat Hanim S. `hoer' werd genoemd. Zou hij dat wel hebben gehoord, dan zou hij via de chatbox hebben gezegd: `Jongens, kan het een tandje minder.'

Advocaat Mantz van Hanim S. had bij het verhoor aanwezig mogen zijn. Hij was er niet, omdat hij politieverhoren ,,in 99 procent van de gevallen' niet bijwoont. ,,Ik selecteer, ik ga alleen als ik denk dat er iets staat te gebeuren.' Via de Haagsche Courant heeft hij kennis genomen van het taalgebruik van de rechercheurs. ,,Dat het verhoor kleinerend was, daar lig ik niet wakker van. Rechercheurs zijn zeer emotioneel betrokken, ze gaan ervan uit dat de vrouw betrokken is, ze moeten haar alleen nog breken.' Wel vindt Mantz dat de rechercheurs zijn ex-cliënt te zeer hebben klemgezet. Als ze bleef ontkennen, dan betekende dit dat haar zoon de schuld zou krijgen, dus dat ze haar kind opofferde. Maar zou ze bekennen, dan zou haar zoon, of een van haar andere kinderen, evengoed gevaar lopen, wegens mogelijke wraakneming. (Advocaat Westendorp noteerde uit de mond van een van de rechercheurs: `Evren draait ervoor op. Over en weer zal er gemoord gaan worden. Goede kans dat Caner de eerste is' – haar jongste zoon van dertien jaar.) ,,Dat vind ik niet goed', zegt Mantz. ,,Je legt een druk op die vrouw naar twee kanten. Een druk om te bekennen dat ze Kumral Bagci heeft vermoord, en een druk om het te ontkennen, want als ze bekent, wordt haar zoon vermoord.'

Turkoloog Nauta kreeg de videoband met het verhoor achteraf te zien van de rijksrecherche. Hij was er niet van tevoren over geraadpleegd – de politie vroeg zijn medewerking alleen in het vooronderzoek. Ook Nauta ziet een vrouw die in een onmogelijke positie wordt gemanoeuvreerd, blijkt uit zijn verklaringen aan de rijksrecherche. ,,Er was geen enkele aanwijzing van spijt of berouw over de daad waar ze van werd verdacht. Maar af en toe reageerde ze op vragen over haar broers en kinderen op een dusdanige mate (sic) waaruit bleek dat het voor haar belangrijk was. Het leek wel of ze laveerde tussen de waarheid willen vertellen en haar `heilige' loyaliteit ten opzichte van haar familie. Dat is een gewetenskwestie. Volgens mij kwam ze daar niet uit.'

Nauta merkt op dat zij aan het begin van het verhoor haar hoofddoek moet afdoen. ,,Hanim S. was een eenvoudige dorpsvrouw. Het dragen van een hoofddoek heeft een belangrijke en principiële reden ten opzichte van vreemde mannen. Als ze dit moet afdoen, dan bestaat de kans dat dit tegen haar levensovertuiging indruist. Het heeft iets onterends. Je maakt haar als het ware bloot.' Het scheldwoord `hoer' is volgens hem in de Turkse cultuur bijzonder grievend. ,,Als het waar is, mag je het iemand recht in het gezicht zeggen. Als het niet waar is, is het de ergste belediging die je een vrouw naar het hoofd kunt slingeren.' Nauta noemt het een ,,zwaktebod' Hanim S. zo te benoemen. Volgens hem zou dit alleen effectief zijn geweest als men er zeker van was geweest dat Hanim S. alleen in ruil voor geld seks gehad had met de vader van Kumral Bagci. ,,Ik heb gehoord en gezien dat Hanim S. dit ontkende. De kans is dus heel groot dat de verhoorders een verkeerde taxatie hebben gemaakt van de situatie in 1995. De kans is groot dat dit alleen maar contraproductief werkte.'

Monster

De rijksrecherche trekt geen conclusie uit haar onderzoek; dat doet, zoals gebruikelijk, het openbaar ministerie. Hoofdofficier Moraal concludeert eind januari dat Hanim S. correct is behandeld en dat er geen aantoonbare relatie is tussen het confronterende verhoor en haar besluit zelfmoord te plegen. Hij laat de advocaat van de nabestaanden weten woorden als `hoer' en `monster' niet gepast te vinden, maar wel te billijken gezien de ernst van de verdenking, de stoïcijnse houding van Hanim S. tot dan toe en het feit dat ze zelf grof taalgebruik ook niet schuwde, zoals bekend was uit de afgeluisterde gesprekken. De verhoorcoördinator noemt hiervan tegenover de inspecteurs van de rijksrecherche enkele voorbeelden: `Moge Allah je lever doorboren', `Ik schijt in je mond' en `Ik neuk je moeder of woorden van gelijke strekking'.

De nabestaanden leggen zich er niet bij neer. In februari doet hun advocaat Westendorp aangifte van belediging tegen de bij het confronterende verhoor aanwezige rechercheurs, de tolk en de gedragsdeskundige. De rijksrecherche doet nader onderzoek, waarbij opnieuw alle betrokkenen worden geïnterviewd en enkele afgeluisterde gesprekken worden uitgewerkt. Ook hoort zij opnieuw een turkoloog, Z. Aykan uit Utrecht. Deze signaleert volgens Westendorp een aantal communicatiestoornissen tijdens het desbetreffende verhoor, onder meer doordat de tolk te weinig tijd krijg de woorden van de rechercheurs zorgvuldig te vertalen. Als Hanim S. bijvoorbeeld gevraagd wordt of zij ontkent, vertaalt de tolk dat met een woord dat in het Turks betekent: `iets ontkennen wat je hebt gedaan'. Zou Hanim S. hierop geantwoord hebben met `ik ontken', dan zou ze impliciet schuld hebben bekend. Ze geeft in plaats daarvan een ontwijkend antwoord, wat de ondervragers irriteert.

Ook Aykan wijst erop dat de kwalificaties van hoer en slechte moeder buitengewoon beledigend zijn. De seksuele eer van een Turkse vrouw met een traditionele achtergrond moet ,,onbevlekt' zijn en haar moederschap mag op geen enkele manier in twijfel worden getrokken, stelt hij volgens Westendorp. Als de belediging `hoer' naar buiten komt, dan is de eer verloren en kan uitstoting het gevolg zijn. Deze treft niet alleen de vrouw zelf, maar ook haar hele gezin en verdere familie. Het grove taalgebruik van Hanim S. is volgens Aykan van een andere orde. Dat kan alleen haar aanzien schaden, wat veel minder ernstig is. Seksuele eer heb je of heb je niet.

Begin deze maand maakte het OM bekend dat geen van de betrokkenen bij het verhoor wegens belediging wordt vervolgd. In een begeleidend persbericht stelt hoofdofficier Moraal dat de rechercheurs ,,de oprechte bedoeling hadden dat zij de verdachte vrouw met gebruikmaking van haar eigen termen en op confronterende wijze zouden kunnen `bereiken'. De opzet was zeker niet gericht op het beledigen van de verdachte.' Via een zogeheten artikel 12-procedure wil Westendorp alsnog vervolging afdwingen via het hof.

Op de ochtend na haar zelfmoord zou Hanim S. naar de rechtbank worden gebracht. Mogelijk dacht ze dat de beledigingen van de politie en haar vermeende verhouding met Famil Bagci in de openbaarheid zouden komen. Zelfmoord is ook een manier om bevlekking en de schande van bevlekking weg te nemen, zegt turkoloog Nauta tegen de rijksrecherche. Hij kent verschillende gevallen uit de Turkse gemeenschap waarin het zo is gegaan. ,,Zij verdwijnt als het ware met de bevlekking. De eer is gered.'

De betrokken rechercheurs zien de zelfmoord als een ultieme bekentenis, zo blijkt uit hun verklaringen aan de rijksrecherche. ,,Wanneer zij de waarheid aan ons verteld had, dan had zij zowel binnen haar familie als binnen de Turkse gemeenschap een groot probleem gehad, waar de gevolgen niet van te overzien waren geweest', aldus een van hen. Een ander noemt de zelfmoord ,,frustrerend voor het onderzoek'. ,,Wij hadden haar nog een groot aantal vragen willen stellen.'