Als we niet oppassen, zal onze angst voor de immigrant uitmonden in massaal racistisch geweld

Als de joodse historie ons iets leert, is het dat wat met pesterijen en vernederingen begint, met massamoord kan eindigen. We moeten alert worden op vormen van racisme die de voorboden kunnen zijn van grootschalige geweldsuitbarstingen.

Dijkstal zei dat het registreren van de mate van integratie van allochtonen op zogenaamde `vignetten' een beetje op de jodensterren begint te lijken. Oudminister Pronk sprak in verband met het uitwijzen van ruim 25.000 asielzoekers die al jaren in Nederland wonen van `deportatie'. Minister Verdonk van Vreemdelingenzaken en Integratie was woedend en kreeg daarin veel steun. Het gaf geen pas haar beleid, hoe hard misschien ook, met de vervolging van de joden in de Tweede Wereldoorlog te vergelijken.

Maar waarom geeft dat eigenlijk geen pas? Elke genocide begint met stigmatiserend geregistreer en groepsgewijze uitwijzing. Het is juist nodig buitengewoon alert te zijn op vormen van racisme die mogelijkerwijs de voorboden zijn van grootschalige geweldsuitbarstingen. Als de joodse historie ons iets leert, is het dat wat met pesterijen en vernederingen begint, met massamoord kan eindigen.

Er is alle reden om kritisch en argwanend te kijken naar wat er nu in Nederland gebeurt. Het is zeer verhelderend om daarbij onderscheid te maken tussen `uitbuitingsracisme' en `concurrentieracisme'. Wat we nu in Nederland zien, wijst op de opkomst van concurrentieracisme, dat een belangrijke rol speelde in het ontstaan van de holocaust. Te vrezen valt dat racistisch geweld niet meer tot incidenten beperkt zal blijven, als het concurrentieracisme geen halt wordt toegeroepen.

Voor een goed begrip van de verschillen tussen `uitbuitingsracisme' en `concurrentieracisme' ga ik terug naar de

koloniale maatschappij van Indonesië, waar beide vormen van racisme tegelijkertijd werkzaam waren. Het koloniale of uitbuitingsracisme heerste vooral op de plantages. Over de koelies, de Indonesische arbeiders, deden vooroordelen de ronde die gekoppeld waren aan hun bruine huidskleur. Zij zouden `dom, lui en kinderlijk' zijn en `zorgeloos,

levend bij de dag, goedgelovig en onderdanig'. Zolang de arbeiders zich uitsloofden zonder te morren, kon er ook wel eens een goed woordje af, dan heetten ze `zachtaardig' of `zorgzaam'.

Heel anders was het concurrentieracisme ten aanzien van de Chinese handelsminderheid. In plaats van `dom, lui en kinderlijk' werden de Chinezen juist `slim' genoemd, waarmee een onaangename combinatie van `slim en onbetrouwbaar' bedoeld werd, dus eigenlijk `sluw'. Ze zouden `belust zijn op geld en macht' en hun sluwheid gebruiken om op allerlei geheimzinnige manieren `de totale macht over te nemen'. Er was ook duidelijk sprake van (verholen) jaloezie.

Het uitbuitingsracisme legitimeert het neerzien op een bepaalde groep mensen die `minder' zou zijn, terwijl het concurrentieracisme afwijkende, angstaanjagende eigenschappen toeschrijft aan een groep die juist `meer' zou zijn in de concurrentiestrijd. De vooroordelen die horen bij het uitbuitingsracisme worden als overwegend erfelijk beschouwd: ze kunnen er niets aan doen dat ze zo zijn. Bij het concurrentieracisme is dat anders: zij kunnen er wel degelijk iets aan doen dat ze zo zijn. Het concurrentieracisme is gericht tegen een groep die als bedreigend wordt afgeschilderd. Daardoor kan die groep in tijden van economische teruggang gemakkelijk tot zondebok worden gemaakt. Net zoals bij het uitbuitingsracisme hoort bij het concurrentieracisme geweld, maar dit geweld heeft een veel gruwelijker en massaal karakter. Op de plantages kregen, als afschrikwekkend voorbeeld, opstandige koelies lijfstraffen, maar de anderen werden lijfelijk ongemoeid gelaten: zij moesten immers in staat blijven het zware werk te doen. Maar bij de pogroms in Indonesië tegen Chinezen werd massaal op hen ingehakt. Het ging erom zoveel mogelijk concurrenten lijfelijk uit te schakelen en de overigen voorgoed te verdrijven.

De positie van de plantagearbeiders in Indonesië kun je moeiteloos herkennen in uitbuitingssituaties overal in de wereld. De apartheid in Zuid-Afrika en de slavernij zijn er natuurlijk de duidelijkste voorbeelden van. Maar de vooroordelen van het uitbuitingsracisme komen ook in minder erge vormen voor, samen met het geweld tegen enkelingen om een hele groep op zijn plaats te houden.

En zo kun je de positie van de Chinese handelsminderheid in Indonesië in grote lijnen vergelijken met die van de joden in Europa en die van de Indiërs en Pakistani in Oeganda. Ook daar ging het in eerste instantie om concurrentie tussen groepen handelslieden. En ook daar dienden de vooroordelen van het concurrentieracisme (of van het antisemitisme dat daarmee veel gemeen heeft) om een herkenbare groep buiten te sluiten, met geweld te verdrijven of zelfs te doden.

Het is onthullend en verhelderend om vanuit de twee soorten racisme te kijken naar de Nederlandse samenleving in de afgelopen decennia. De eerste gastarbeiders uit Marokko en Turkije kwamen hier binnen in de jaren '60. Ze zaten in pensions bij elkaar, meestal vlakbij de fabrieken waar ze, vaak in ploegendiensten, werkten. Ze manifesteerden zich weinig in het openbare leven. Over hen kwamen vooroordelen in omloop die je kunt rekenen tot het uitbuitingsracisme. Zo werd er gezegd dat ze alleen in staat waren tot eentonig, zwaar werk en dat ze ook niet anders wilden. Ze waren te stom om Nederlands te leren. Over gastarbeiders werd wat lacherig of meewarig gedaan. De enkele racistische incidenten konden rekenen op hevige kritiek van vrijwel alle kanten. Die incidenten, zoals het gooien van een brandbom in een gastarbeidersverblijf, zijn op te vatten als pogingen van bepaalde groeperingen om de vreemdelingen `een lesje te leren', zoals bij het uitbuitingsracisme gebruikelijk is. Zolang ze maar het zware, vuile werk deden en zich verder koest hielden, konden ze blijven.

Begin jaren '90 was er al heel wat veranderd. De gastarbeiders waren gebleven en hadden gezinnen gevormd. Naast de vooroordelen die horen bij het uitbuitingsracisme, waren er gevoelens ontstaan die men niet makkelijk onder woorden kan brengen, zoals afgunst en wantrouwen.

Dit bracht mij er destijds toe te voorspellen dat de vooroordelen over immigranten van karakter zouden veranderen naarmate zij meer aangepast zouden raken aan de Nederlandse verhoudingen. Zij, hun kinderen en kleinkinderen zouden langzamerhand beter in staat zijn met de gevestigde bevolking te concurreren om banen, woonruimte, sociale voorzieningen, studieplaatsen en om een aandeel in de (klein)handel of de horeca. Daarmee zouden de vooroordelen van het concurrentieracisme voordelig worden voor de gevestigde bevolking en zouden die van het uitbuitingsracisme hun `nut' verliezen.

Ik ben bang dat mijn voorspelling bezig is uit te komen. Immigranten worden tot een afgebakende, eenvormige groep gemaakt. Deze geconstrueerde groep krijgt stap voor stap scherpere contouren, zowel wat betreft het uiterlijk (huidskleur) als het innerlijk (identiteit). Ook de gevestigde bevolking wordt veel eenvormiger voorgesteld dan zij in werkelijkheid is. Mensen van wie niet helemaal duidelijk is `waar ze bijhoren', worden er steeds vaker toe gebracht te kiezen. In de standaardvraag in interviews ,,Voel je je nu Marokkaan of Nederlander?'' kan zelfs besloten liggen dat er iets mis zou zijn met een samengestelde identiteit.

Tot dit scherper afbakenen van de groep behoort ook dat gekleurde `allochtonen' een toegenomen vrijpostigheid ervaren van `autochtonen' in het vragen naar hun herkomst of afkomst. Dit laatste zou natuurlijk kunnen duiden op een toegenomen belangstelling. Maar er schijnt weinig sprake te zijn van wederkerigheid en evenmin van getoonde terughoudendheid bij het aanspreken van de ander op uiterlijke kenmerken. Aan de aldus gecreëerde groep (de minderheid of `de allochtonen') wordt steeds openlijker de betekenis gegeven van `de immigranten met een donkere huidskleur'. En de meerderheid (`de autochtonen') krijgt steeds meer de invulling van `zij die hier thuishoren'.

Een duidelijk begrensde groep wordt gemakkelijker doelwit van vooroordelen. Van het lacherige en meewarige is weinig meer over. Kwalificaties als `dom, lui en kinderlijk' verdwijnen, ze zitten hooguit nog verscholen in termen als `achterstandswijken' en `achterstandsscholen'.

De immigranten en hun nakomelingen zijn zich nu in hoog tempo aan het scholen en worden steeds geduchtere concurrenten op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd zie je allerlei vormen van emancipatie opbloeien. Elementen uit de meegebrachte culturen worden met openlijke trots getoond. Maar wie goed om zich heen kijkt, ziet tegelijkertijd de vooroordelen van het concurrentieracisme aan kracht winnen. Het `neerzien op', dat deel uitmaakt van het uitbuitingsracisme, schuift op in de richting van `minachting hebben voor'. Minachting levert degenen die zich ervan bedienen eveneens het voordeel op zich verheven te kunnen voelen boven een groep. Maar er zit meer afkeer in en vooral ook wantrouwen. Het is ook duidelijker gericht op de kenmerken `waar men zelf iets aan kan doen', zoals gewoonten, denkbeelden en religie.

De concurrentievooroordelen `slim en onbetrouwbaar' zijn te herkennen in de verhalen waarin de immigranten figureren als succesvolle maar valse spelers op het maatschappelijk toneel: ze zouden zich bedienen van onoorbare praktijken bij het verkrijgen van vergunningen of woonruimte, ze zouden misbruik maken van sociale voorzieningen, enzovoort. In die verhalen komt ook de combinatie `wantrouwen en afgunst' in allerlei gedaanten voor: ,,Ze doen wel alsof ze tekortkomen, maar ze hebben allemaal een mooi huis in Marokko of Turkije.''

Ook de nadruk op `het afwijkende' neemt duidelijk toe. Het wordt steeds gangbaarder om de cultuur van de gevestigde bevolking voor te stellen als eenvormig en `normaal' en daarmee de culturele bagage van immigranten te contrasteren. Tegelijkertijd gelooft men steeds vaker in de geschiedvervalsing dat culturele veranderingen hier pas zijn begonnen met `de komst van de buitenlanders'. Bij het hameren op `het afwijkende' van de groep hoort ook dat het begrip `integratie' oneigenlijk wordt gebruikt: als een gebod om, op straffe van uitzetting, de als eenvormig voorgestelde cultuur van de gevestigde bevolking aan te nemen en de eigen cultuur af te leggen.

Bij het verdedigen van de maatregelen die de laatste tijd worden getroffen om de aantallen immigranten te beperken, wordt telkens maar weer ingezoomd op problemen (criminaliteit, stedelijke verloedering, terrorisme) en wordt wat goed gaat, buiten beeld gelaten. Toen de commissie-Blok het enkele maanden geleden waagde over succesvolle integratie te spreken, werd het rapport meteen neergesabeld. Je ziet steeds vaker gebeuren dat `de groep' eenzijdig verantwoordelijk wordt gesteld voor problemen. Daarmee wordt het levensgevaarlijke zondebokmechanisme in werking gezet.

Het meest verontrustend vind ik ten slotte de verbreiding van het vooroordeel dat de immigranten `angstaanjagend' zouden zijn. De verdenking dat zij op geheimzinnige wijze zouden streven naar `de totale macht', is een gevaarlijke uiting van concurrentieracisme. Dit sentiment bespelen ook de woordvoerders van het sterk groeiende Vlaams Blok in België. Een zekere angst voor een getalsmatige overheersing die al langere tijd bestond, wordt nu aangewakkerd door te dreigen met `de islam'. Daarbij worden de uitwassen van het fundamentalisme voorgesteld als representatief voor de hele islam. Angst speelt altijd een rol bij het uitbreken van massaal geweld. Dat is er tot nu toe niet van gekomen, maar er is geen tijd te verliezen. Dat hebben Dijkstal en Pronk scherp gezien en moedig naar buiten gebracht.

Is publiciste en schreef o.a het boek De gans eet het brood van de eenden op. Mijn kindertijd in een Jappenkamp op Java (1994). In de Tweede Wereldoorlog verbleef zij in de joodse afdeling van een Jappenkamp.

    • Anne-Ruth Wertheim