We trappen er niet meer in

Amerika is in dertig jaar van koers veranderd.

De trek naar suburbia, de media-explosie en de nieuwe rijkdom hebben de meest democratische natie ter wereld ingrijpend van aanzien veranderd, en niet alleen ten goede. George Bush als culminatie van een tijdperk.

Midden jaren negentig accepteerde mijn Amerikaanse zwager een baan bij een verzekeringsmaatschappij in Baltimore. Het leek een goede keuze: het bedrijf had een degelijke reputatie. Het was in de negentiende eeuw opgericht en sindsdien niet noemenswaard veranderd. Acht jaar later is de firma twee keer overgenomen door een corporate raider.

Dit voorjaar kreeg mijn zwager te horen dat zijn afdeling wordt opgeheven. Hij kreeg het aanbod zich te vestigen in een van de drie steden waarnaar zijn afdeling wordt overgeheveld. Hij vergeleek de levensstandaard van de steden: belastingen, scholen, kosten van onderwijs, sport- en recreatiemogelijkheden, misdaadcijfers. Maar dat was niet het enige rekenwerk. In de tussentijd was hij benaderd voor een baan bij een bedrijf in Washington. Met dat bedrijf was hij ook aan het onderhandelen. Als hij het spel slim speelt, vertelde hij, kan hij bovendien van zijn oude bedrijf een fors geldbedrag innen, een ontslagpremie omdat hij `wegens gezinsomstandigheden' niet kan verhuizen. Intussen mocht natuurlijk niet bekend worden dat hij een nieuwe baan op het oog had, want dan kon hij naar zijn premie fluiten.

De afgelopen jaren hebben mijn zwager en schoonvader, die voor een bouwfirma werkt, dikwijls gefoeterd op de rusteloze bedrijfscultuur in Amerika: de overname- en fusiemanie, de leiding van bedrijven die geen enkele band heeft met de werkvloer en alleen geeft om beursnoteringen, de ontslagen, de overplaatsingen, de uitbesteding van werk. Het hyperkapitalisme greep ze wel eens naar de keel, hoezeer ze ook probeerden er hun voordeel mee te doen. Maar hun geklaag vertaalde zich niet in protest. Ze stemmen nog steeds Republikeins, de partij die het hyperkapitalisme het hardst aanblaast. Waarom? Omdat de Democraten nu eenmaal de partij zijn van de belastingen. Belastingen! Daar trappen ze niet in, dat had Ronald Reagan al goed begrepen. Over de huidige president zijn ze al even content. Diens belastingverlaging van 1.300 miljoen dollar in tien jaar ging er bij hen in als koek.

Niet iedereen denkt er zo over. In de New York Times deden twee weken geleden voormalige werknemers van het eind 2001 failliet verklaarde energiebedrijf Enron hun beklag. De helft van de geïnterviewden zei vorige keer Republikeins te hebben gestemd en hun stem nu te zullen geven aan `A.B.B.': Anyone But Bush. Een proteststem. En geen wonder. Vorige week maakte het Amerikaanse ministerie van Justitie telefoongesprekken uit 2000 en 2001 openbaar van handelaren in Enron-aandelen. Ze sneren over `omaatjes' die opgeklopte energierekeningen betalen. Ze bespreken het sluiten van een centrale zodat de bevolking meer moet neertellen voor elektriciteit, en de brand in een generator: ook die zal de energieprijzen opdrijven.

Het is niet verbazingwekkend dat de handelaren in de telefoongesprekken ook suggereren dat de voormalige CEO van Enron, Kenneth Lay, wel eens minister van Energie zou kunnen worden in de regering-Bush. `Kenny-boy', zoals hij door George Bush junior werd genoemd, was toen nog een familievriend en een gulle geldschieter van de Republikeinse partij. Hij werd geconsulteerd door vice-president Cheney, belast met het opzetten van nieuw energiebeleid. Vertegenwoordigers van de milieubeweging waren minder welkom.

Volgens de Texaanse journaliste Molly Ivins is dat logisch. In Bushwhacked, een serie venijnige beschouwingen en reportages over de gevolgen van het beleid van Bush voor gewone Amerikanen, schrijft zij dat de politiek een verlengstuk is geworden van het bedrijfsleven. De vrije markt is omgeven door een aura van `absoluut geloof'. Deregulering en belastingvoordelen zetten de toon, met volgens Ivins schadelijke gevolgen voor het milieu, de kwaliteit van de medische zorg en zelfs die van het voedsel. Critici binnen de federale overheid worden monddood gemaakt, overgeplaatst of ontslagen. Ivins geeft daar vele voorbeelden van, en hoewel ze openlijk partijdig is, geven haar reportages toch een beklemmend beeld van een democratisch land bij uitstek waar sinds het aantreden van George Bush de belangen van een politieke en zakelijke toplaag boven die van de bevolking gaan.

Hoe is dat gebeurd? Daarop probeert Godfrey Hodgson antwoord te geven in More Equal Than Others, waarvan de titel is ontleend aan George Orwells Animal Farm. Hodgson is de auteur van In Our Time (1976), een klassiek geworden boek over de binnen- en buitenlandse conflicten die de Verenigde Staten sinds de jaren zestig overspoelden en die een einde maakten aan, zoals hij het noemde, de liberal consensus. Later schreef hij The World Turned Right Side Up (1996) over de politieke doorbraak van conservatief Amerika. De `progressieve consensus' die Amerika lange tijd beheerste, bestond volgens Hodgson uit een stilzwijgende overeenkomst tussen de ideologische partijen: conservatief Amerika verzoende zich na de depressie van de jaren dertig met de verzorgingsstaat, links Amerika legde zich in de Koude Oorlog neer bij de opbouw van een nationale veiligheidsstaat. Vietnam, de burgerrechtenstrijd, de emancipatie van vrouwen en homoseksuelen, Watergate en de economische crisis van de jaren zeventig maakten vervolgens aan einde aan de consensus. Een tollend en onzeker Amerika belandde onder de Democratische president Jimmy Carter in een `nationale malaise'.

Godfrey Hodgson begint in More Equal Than Others waar In Our Time ophoudt. De Verenigde Staten zijn uit het dal geklommen, onder president Ronald Reagan (`Morning Again in America') wordt het nationale vertrouwen herwonnen en wordt Amerika, na het einde van de Koude Oorlog, de enige supermacht ter wereld. Maar dat succes heeft volgens Hodgson een keerzijde. Amerika, beweert hij, heeft de afgelopen dertig jaar gebroken met een nobele traditie waarin het overgrote deel van de bevolking de kans krijgt te delen in de welvaart. Uit de crisis van de jaren zeventig die hij in zijn vorige boek beschreef zijn de herauten van de ongebreidelde vrije markt als overwinnaars tevoorschijn gekomen. Onder Reagan hebben ze vakbonden gebroken, belastingen verlaagd, het bedrijfsleven gedereguleerd en het vertrouwen in de overheid omlaag gehaald. Ze zijn daar volgens Hodgson zo succesvol in geweest, dat de meeste Amerikanen tegenwoordig geloven in de `fictie' dat het zakenleven beter in staat is voor de belangen van burgers op te komen dan de staat.

`Raadselachtig' noemt Hodgson de verdwijning, sinds de jaren zeventig, van een tweede Amerikaanse traditie: de politics of protest. Linkse intellectuelen en journalisten hebben zich volgens hem, op een enkeling na, bij de suprematie van het bedrijfsleven neergelegd. De progressieve braintrust van de elite-universiteiten die van Roosevelt tot en met Kennedy onderdak vond in de Democratische partij en de natie werd voorgehouden als `the best and the brightest', ging tenonder in Vietnam en de studentenopstand van de jaren zestig. De plaats als nationaal rolmodel werd volgens Hodgson ingevuld door `meedogenloze' topmannen uit het bedrijfsleven. Mannen als Chrysler-baas Lee Iacocca, die zijn werknemers onbekommerd voorhield: ,,Jongens, ik heb een pistool op jullie hoofd gericht. Ik heb duizenden banen beschikbaar voor zeventien dollar per uur. Ik heb geen enkele baan voor twintig dollar. Als ik jullie was zou ik het wel weten.'' Mannen ook als Donald Rumsfeld, de huidige minister van Defensie, die in de jaren tachtig bij het farmaceutisch bedrijf Searle een waar schrikbewind voerde. Binnen een jaar na zijn aantreden, schrijft James Mann in Rise of the Vulcans, had hij twintig bedrijfstakken afgestoten en de staf van het bedrijf teruggebracht van 800 naar 350 werknemers. ,,Je kon het geluid van knikkende knieën bijna horen zodra hij in de gang verscheen'', vertelde een oud-stafmedewerker.

Net zo belangrijk als de opkomst van de CEO's was de belastingopstand van de middenklasse, die in de tweede helft van de jaren zeventig in Californië begon en in 1981 met Reagan het regeringscentrum in Washington veroverde. Politici die het wagen belastingen te verhogen, zoals president George Bush sr. deed in 1990, worden daar hard op afgerekend. De spectaculaire belastingverlaging van 1.300 miljoen dollar (verdeeld over tien jaar) die George Bush jr. in 2001 doorvoerde was zowel een teken voor de partijbasis dat een `zoon van Reagan' het roer in Washington had overgenomen, als een tegemoetkoming aan de CEO's die zijn campagne mede hadden gefinancierd.

More Equal Than Others is een belangrijk boek, hoewel het frisse en directe van In Our Time ontbreekt. Het boek is essayistisch opgezet, en gerangschikt naar thema's als economie, politiek, immigratie, emancipatie en buitenlands beleid. Hodgson onderscheidt vier thema's, die volgens hem het maatschappelijk leven sinds het midden van de jaren zeventig hebben bepaald. Naast de triomf van het bedrijfsleven zijn dat: de suburbs als woonoord van de meeste Amerikanen; de invloed van de media, met de kruisbestuiving tussen nieuws en amusement; en het ontstaan van een geprivilegieerde klasse die, meer dan in het verleden gescheiden, leeft van de rest van de samenleving.

Niet alle ontwikkelingen komen bij Hodgson even goed uit de verf. Zo is hij zeer kritisch over de media, maar neemt hij niet de moeite de veranderingen in de journalistiek nader te analyseren. Onderbelicht blijft ook de teloorgang van de Democratische partij, hoewel hij terecht een oud-tekstschrijver van president Lyndon Johnson citeert die al in 1980 voorspelde dat zijn partij ten dode is opgeschreven indien zij de stem van blanke mannen niet weet te heroveren. Overtuigend is wel weer zijn stelling dat Bill Clinton niets ondernam om de nieuwe Republikeinse gelijkschakeling van kapitalisme met democratie te doorbreken. Clintons presidentschap was geen breuk met, maar een voortzetting van twaalf jaar Republikeins bewind.

De belangrijkste omissie is echter dat Hodgson niet genoeg aandacht besteedt aan de religieuze heropleving in Amerika, met het belastingverzet de tweede populistische `anti'-beweging sinds de jaren zeventig. De `verzuidelijking' van de Republikeinse partij speelt weliswaar een grote rol in zijn hoofdstuk over politiek, maar de fundamentalistische evangelisten die daarvan zo'n belangrijk onderdeel uitmaken blijven onderbelicht. De toenadering tussen het behoudende katholieke en protestantse electoraat, die ontstond nadat het Hooggerechtshof in het arrest Roe v. Wade (1973) abortus legaliseerde, blijft onvermeld. Tot in de jaren zestig, schrijft publicist Kevin Phillips in American Dynasty, verketterden deze groepen elkaar.

Traditionele katholieken vormden toen nog een machtsblok binnen de Democratische partij. Sinds Reagan zijn ze massaal overgelopen naar de Republikeinen. Juist voor een beter begrip van het bewind van de herboren christen George Bush junior, die de Verenigde Staten nadrukkelijk ziet als christelijke natie, is een uitvoerige en scherpe anayse van die religieuze heropleving van belang.

Een apart hoofdstuk had ook de militarisering van de buitenlandse politiek verdiend. In Rise of the Vulcans, een prikkelend boek over het `oorlogskabinet' van de huidige president, maakt journalist James Mann dit gemis goed. Na Vietnam concludeerden progressieve Democraten dat Amerika zich als militaire macht moest terugtrekken uit de internationale arena. Conservatieve Republikeinen verzetten zich daar juist hevig tegen. In hun ogen was Vietnam een uitzondering, Amerika kon het zich niet veroorloven een gevaarlijk geachte wereld de rug toe te keren. Een krachtige defensie was noodzakelijk. Onder Reagan werd het defensiebudget daarom dusdanig opgekrikt dat de legerleiding, in de woorden van Colin Powell, `de verlanglijstjes verving door droomlijstjes'. Bush junior heeft de defensiebegroting na de aanslagen van 11 september opnieuw sterk verhoogd.

De mannen en vrouw van Bush' oorlogskabinet (Richard Cheney, Donald Rumsfeld, Paul Wolfowitz, Condoleezza Rice, Richard Armitage en Colin Powell) zijn verenigd in hun steun voor het reusachtige leger dat de afgelopen kwart eeuw is opgebouwd. Zij verschillen hooguit van mening over het gebruik van deze superieure defensiemacht. Haviken als Cheney, Rumsfeld en Wolfowitz zien militair machtsvertoon als een alternatief voor diplomatie. Powell en Armitage (beiden Vietnam-veteranen) willen het leger vooral gebruiken als drukmiddel, ter ondersteuning van de diplomatie. Rice neemt een tussenpositie in.

Na het einde van de Koude Oorlog in 1991 culmineerde het denken van de haviken in een tweetal artikelen (gepubliceerd in 1997) van Paul Wolfowitz, waarin hij stelde dat `de wil om unilateraal te handelen de effectiefste manier kan zijn om tot collectieve actie te komen'. Met andere woorden: Amerika leidt, de rest van de wereld volgt, desnoods schoorvoetend.

Hoe ziet het Amerika van George Bush er nu uit? Het is een land dat een sterk nationaal visioen koestert, maar dat tegelijkertijd de grenzen van de privatisering verkent (bij nutsbedrijven, pensioenen, in de gezondheidszorg, maar ook met defensie, waar steeds meer contracten worden gesloten met private bedrijven). Een land dat concurrentie en risico als basisprincipes van een ondernemend leven omhelst, maar waar de sociale en economische verschillen zo groot worden dat de weg naar de top voor steeds minder mensen begaanbaar wordt. Een land dat een dam heeft opgeworpen tegen normen en waarden uit de jaren zeventig, en waar de belezen, sociaal geëngageerde intellectueel als rolmodel is vervangen door de can do-ondernemer die zijn zaken soepel voor elkaar bokst, en door de evangelische christen die zijn succes ziet als onderdeel van Gods plan met de Verenigde Staten.

Bestaat er ook een `Bush-dynastie', zoals de titel van twee recente boeken suggereert? Zowel Kevin Phillips (American Dynasty) als het echtpaar Schweizer (The Bushes) beweert dat de familie-Bush de Republikeinse partij heeft overgenomen en verwacht dat zij de Verenigde Staten tot in lengte van dagen zal regeren. Dat lijkt op zijn minst overdreven. Feit is dat de Bushes gedurende drie generaties er niet in slaagden een klinkende electorale overwinning te behalen – op de herverkiezing van de huidige president als gouverneur van Texas na (1998). Geen Bush preekt bovendien zo tot de verbeelding als Ronald Reagan, die al lang voor zijn overlijden als een nationale icoon werd vereerd.

Na drie jaar presidentschap van George Bush lijkt de centrale plaats van de familie in de Republikeinse partij misschien door de Voorzienigheid te zijn bepaald, maar wie terugkijkt weet dat het toeval een grote rol heeft gespeeld. Het had geen haar gescheeld of de rol van de Bushes in de Republikeinse partij was al in 1980 uitgespeeld. Presidentskandidaat Reagan ging destijds met tegenzin akkoord met de keuze van Bush als running mate, omdat die zijn economisch programma had geridiculiseerd. Bovendien is het de vraag of George W. Bush door de Republikeinen als kandidaat naar voren was geschoven als de Republikeinse revolutie (1994) van de voorzitter van het Huis van Afgevaardigden Newt Gingrich niet was gestrand.

Loyaal aan elkaar en de familie zijn de Bushes in elk geval wel. Ze vertrouwen daarnaast op hun uitgebreide netwerk en belonen hun vrienden met politieke functies. Wie de familie tot last wordt, hoeft niet meer op enige steun te rekenen. Daarover kan `Kenny-boy' Lay, de voormalige CEO van Enron, meepraten. Na de val van Enron noemde Bush hem zonder blikken of blozen (en ten onrechte) een sympathisant van zijn voormalige politieke tegenstander Ann Richards. Die streek zou Reagan hem niet hebben geleverd.

Godfrey Hodgson: More Equal Than Others. America from Nixon to the New Century. Princeton University Press, 379 blz. €35,04 Molly Ivins: Bushwhacked. Life in George Bush's America. Allison en Busby, 350 blz. €16,54

James Mann: Rise of the Vulcans. The History of Bush's War Cabinet. Viking, 426 blz. €30,88

Kevin Phillips: American Dynasty. How the Bush Clan Became the world's Most Powerful and Dangerous Family. Viking, 397 blz. €30,88

Peter Schweizer en Rochelle Schweizer: The Bushes. Portrait of a Dynasty. Doubleday, 574 blz. €32,70

Tom Wicker: George Herbert Walker Bush. Penguin Lives, 228 blz. €25,54