Vroeger was alles erger

Gert Hekma doet een poging de homogeschiedenis van Nederland samen te vatten. Helaas botst zijn historisch perspectief met zijn ideologische inzet.

Gert Hekma is een man met een missie. Een missie die ongetwijfeld niet op ieders instemming kan rekenen, maar dat belet hem niet haar uit te blijven dragen, ook in zijn nieuwste boek. Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd wil echter meer zijn dan een politiek pamflet of een radicaal erotisch manifest. De titel maakt al duidelijk dat het Hekma er tevens om te doen is een overzicht te geven van de geschiedenis van homoseksualiteit in ons land; van de mannelijke variant wel te verstaan. Dat maakt nieuwsgierig, want een dergelijk handzaam overzichtswerk, geschreven voor een groot publiek en aangevuld met biografietjes van de hoofdrolspelers en een beredeneerde bibliografie, is nog niet eerder verschenen.

Hekma opent met een autobiografisch getint hoofdstuk waarin hij zijn eigen ontwikkelingsgang schetst van verlegen notariszoon in het Groningse Bedum tot docent homostudies aan de Universiteit van Amsterdam, een coming of age waarin zijn fascinatie voor glimmende voetbalbroekjes uitgroeit tot een volwaardig satijnfetisjisme, dat hij tijdens zijn studententijd in Amsterdam verder probeert te exploreren. Via advertenties komt hij in contact met collega-`satinisten', die stuk voor stuk erg blijken te worstelen met hun specifieke liefhebberij. Niemand kan er goed mee uit de voeten, waarmee Hekma maar wil zeggen dat erotische vrijheid in Nederland, zelfs in het libertijnse Amsterdam, meer een geloofsartikel is dan een realiteit.

Grote stappen, gauw thuis, denk je dan, maar de toon is gezet: met de (homo-)seksuele emancipatie is het nog niet best gesteld, al moet ook Hekma erkennen dat het vroeger een stuk erger was. Zijn terugblik laat hij beginnen bij de grote sodomietenvervolging in de jaren dertig van de achttiende eeuw, die resulteerden in honderden vervolgingszaken en tientallen executies. Pas onder Frans bewind verdween sodomie uit het wetboek van strafrecht en brak een periode van relatieve rust aan. Zolang ze niet in de openbaarheid plaatsvonden bleven homoseksuele daden in de negentiende eeuw onvervolgd. De opkomst van de confessionelen in de Nederlandse politiek maakte hier een eind aan: vanaf 1911 gold een nieuwe zedelijkheidswet waarin homoseksuele contacten met minderjarigen onder de 21 opnieuw strafbaar werden gesteld. Duizenden personen zijn sindsdien vervolgd op basis van artikel 248bis, met een hoogtepunt in de jaren vijftig.

Onder invloed van de toenemende medische bemoeienis veranderde homoseksualiteit intussen van karakter. Het begrip verwees niet langer naar bepaalde vormen van zondig of misdadig gedrag, maar naar een onderliggende, ziekelijke geaardheid. De medicalisering bracht bovendien een drang tot genezen met zich mee. Er kwamen allerhande therapieën op, waarvan castratie wel de meest drastische was. Tot zo'n veertig jaar geleden werd deze vorm van `therapie' nog frequent toegepast.

Zendeling

In de jaren zestig en zeventig begon het tij te keren, met de afschaffing van artikel 248bis, de opening van de eerste bars en dancings, de opkomst van de homobeweging en de ontwikkeling van een homoseksuele subcultuur, waarin de klassieke nicht steeds meer werd verdrongen door de homomacho van het type bouwvakker of leerman. Het politiebeleid onderging een radicale wijziging. In plaats van op te jagen en te vervolgen, kreeg de politie nu tot taak homo's tegen potenrammers te beschermen. Er kwam een homomonument, een wet Gelijke Behandeling en in 2000 werd het homohuwelijk een feit. Steeds meer homo's traden in de openbaarheid. Tegenwoordig zijn politici en bekende tv-persoonlijkheden openlijk homo, zonder dat dat afbreuk doet aan hun populariteit. Parallel aan die grotere acceptatie en zichtbaarheid werden de scheidslijnen tussen homo en hetero strakker aangehaald. Waar de eerdere schemerzone nog ruimte liet voor het nodige seksueel grensverkeer, staat iedereen nu voor de keuze voor het een of het ander.

Vrijwel alle onderdelen van deze geschiedenis zijn al eerder beschreven en geduid in specialistische deelstudies. Theo van der Meer, Dirk Jaap Noordam en Leo Boon schreven over de sodomietenvervolging. Hekma zelf promoveerde op de medicalisering van homoseksualiteit in de negentiende eeuw. Rob Tielman beschreef de homo-emancipatie in de twintigste eeuw, Harry Oosterhuis wees op de rol van katholieken in de verspreiding van begrip voor de homofiele medemens, en zo kan men nog wel even doorgaan. Homoseksualiteit in Nederland voegt hier geen eigen onderzoek aan toe en Hekma pretendeert ook niet meer te geven dan een samenvatting van de beschikbare historische en sociologische kennis. Dat leidt tot hoofdstukken waarin de ontwikkelingen bij vlagen vlot en vaardig worden naverteld, maar die hier en daar ook verzanden in een richtingloze opsomming van feiten, titels en gebeurtenissen.

Aan het eind gekomen hoop je op iets van een synthese of een krachtig slotakkoord waarin de balans van ruim tweeënhalve eeuw, of desnoods van de laatste veertig jaar, wordt opgemaakt. Hoe staat het ervoor met de homo-emancipatie? Op dit punt wint de zendeling het echter van de wetenschapper en schakelt Hekma over naar zijn programmatische boodschap, waardoor die vraag nauwelijks wordt beantwoord in historisch of internationaal vergelijkend perspectief, maar vooral in relatie tot een persoonlijk toekomstvisioen. Daartegen afgezet verbleekt Nederlands reputatie als homoparadijs en kunnen we hooguit spreken van oppervlakkige tolerantie: homo's worden hier geduld zolang ze niet te veel opvallen en zo lang de heteroseksuele meerderheid van hen geen last ondervindt. Ook in het tolerante Nederland is `huwelijksfundamentalisme' nog altijd de norm.

Oefenterreinen

Het ideaal dat Hekma zelf voor ogen staat, presenteert hij weliswaar als een reëel alternatief, maar kun je moeilijk anders lezen dan als de uitwerking van een particuliere fantasie. Uitgangspunt is de gedachte dat een openbare seksuele cultuur een burgerrecht is. Op basis daarvan pleit Hekma voor een `multiseksuele vernieuwing' waarin wordt afgerekend met een tweetal misverstanden waarop de huidige seksuele cultuur is gebaseerd. Allereerst moet de bestaande associatie van seksualiteit met natuur, instincten en biologische wetmatigheden van de baan, waarmee het rigide onderscheid tussen mannen en vrouwen, homo's en hetero's kan worden doorbroken, en zelfs afgeschaft. Het afschaffen van de seksedichotomie, hoe doe je dat, vraag je je onwillekeurig af, want Hekma doet er op dit punt wijselijk het zwijgen toe.

Het tweede misverstand is dat seks en seksuele voorkeur privé-aangelegenheden zouden zijn. Het tegendeel is het geval, meent Hekma, ze dienen juist in de openbare ruimte een plaats te krijgen. Daarom pleit hij voor de aanleg van een seksuele infrastructuur, vergelijkbaar met de voorzieningen en accommodaties die er in de sportwereld bestaan, compleet met scholing en opvoeding, trainers en coaches, overdekte lokalen en oefenterreinen in de buitenlucht.

De groep die dit ideaal het dichtst benadert, is natuurlijk de homogemeenschap zelf, met zijn uitgebreide netwerk van kroegen, sauna's, darkrooms en hotelletjes, zijn grootschalige seksfeesten en zijn gebruik van stranden, plantsoenen en parkeerplaatsen als cruise gelegenheid. Dit model verdient, aldus Hekma, niet alleen uitbreiding en verdere verfijning, maar kan ook dienen als blauwdruk voor de rest van de samenleving. Zoals de homo's het geregeld hebben – met de gescheiden regeling van seks en liefde, met hun seksuele beheersing en stilering waardoor ook de gewelddadige aspecten van seksualiteit een plaats kunnen krijgen – daar kunnen anderen nog veel van leren.

Voor de overheid ligt hier een schone taak, al tonen politici in de praktijk geen enkel oog voor de ontwikkeling van een `seksueel burgerschap'. Zo acht Hekma het een raadsel waarom sport en religie wel, maar seks niet als middel tot sociale integratie tussen bevolkingsgroepen wordt ingezet. En zo zou een openbare seksuele cultuur de veiligheid in de publieke sfeer ten goede komen en meer blauw op straat overbodig maken.

Nederland heeft nog een lange weg te gaan en omdat Hekma weinig stappen in de gewenste richting signaleert, krijgt Homoseksualiteit in Nederland tegen het einde een steeds verongelijkter toon, die het des te moeilijker maakt hem serieus te blijven nemen. De vermenging van genres, de afwisselend historische en ideologische inzet waar hij voor gekozen heeft, pakt uiteindelijk voor geen van beide goed uit.

Gert Hekma: Homoseksualiteit in Nederland van 1730 tot de moderne tijd. Meulenhoff, 240 blz. €17,50