Verborgen goudmijnen

Het theater wordt eenzijdig bevolkt door personages die niet kunnen liefhebben en geplaagd worden door angst en eenzaamheid. Anneriek de Jong roept theatermakers op hardop te dromen over geluk, vreugde en heroïek.

Hij houdt de urn van zijn moeder boven haar hoofd en kiept de as over haar heen. Zij haalt hamer en spijkers tevoorschijn en kruisigt hem in hun huis. Frank en Katharina in Lars Noréns drama Demonen doen nare dingen met elkaar: hoe erger, hoe beter, moet de schrijver hebben gedacht. En toen het acteurskoppel Ariane Schluter en Gijs Scholten van Aschat was uitgeraasd concludeerde de zaal: `Lekker heftig'.

Het was een opvoering door het Nationale Toneel en Scholten van Aschat had net de Albert van Dalsum Ring gekregen. Ook was hij genomineerd voor de Louis d'Or. Voor deze rol, die van Frank in het huwelijkscatastrofetoneelstuk Demonen. Hij had inderdaad goed gespeeld. Schluter eveneens en ook zij was genomineerd voor een toneelprijs, in een andere voorstelling en een andere rol. Maandag ontving ze die prijs ook, de Theo d'Or. Twee topacteurs hadden in Demonen een ideaal vehikel gevonden voor het etaleren van hun vakmanschap en briljante timing. Maar hadden zij ontroerd? Of zelfs maar gechoqueerd? Nee, zij hadden alleen aan de verwachtingen voldaan.

Oorlog op het toneel, tussen man en vrouw, tussen ouders en kinderen, tussen wie dan ook, is verworden tot een conventie: we weten niet beter of het hóórt zo, op z'n laatst sinds Shakespeare, dus, denken we schouderophalend, zal het wel een onderdeel zijn van de goede smaak. Een slechte afloop móet, zoals slechte relaties op de bühne ook tot norm verheven zijn, al dan niet gecombineerd met verrotte karakters. Een béétje theatermaker laat zien dat-ie de wereld kent – en daar bedoelt hij, om niet voor onnozele dwaas te worden versleten, een wereld vol gemeenheid, bruutheid en bagger mee, het aardse tranendal en niet de zonnige plek die het leven óók kan zijn. Vreugde op het podium gaat al gauw door voor oppervlakkig en naïef. Somberheid daarentegen, desnoods verpakt in (grimmige) humor, heeft het imago van volwassenheid en ernst. Het menselijk tekort krijgt alle ruimte om zich op het toneel te ontvouwen. De menselijke grootsheid echter wordt waar het maar kan beknot. Hoe kleinzieliger, kwader en kortzichtiger de personages, hoe meer complimenten ze krijgen van de critici. Hoe laaghartiger hun gedrag, hoe hoger men ze aanschrijft. Hoe zieker van geest, hoe eerder zaligverklaard.

Jawel, het tonen van ziekte en zwakte, van voosheid en valsheid en ondeugden en eindeloos onvermogen heeft een zeker nut. Omgekeerde moraliteit was al geliefd bij Molière, bij wijze van afschrikwekkend voorbeeld: zo fungeerde de huichelachtige godsdienstfanaat Tartuffe in de voor het Theaterfestival genomineerde enscenering van Jürgen Gosch als een waarschuwing tegen hedenlands fundamentalisme. Zelfs keiharde regisseurs hopen op een katharsis, op een reiniging – misschien niet meer van hartstochten, zoals achttiende-eeuwse theoretici het zich wensten, maar wel van onzuivere gevoelens. Van hypocrisie bijvoorbeeld. Van een valse moraal die de hartstochten juist onderdrúkt. Ivo van Hoves Rouw siert Electra liet zien hoe een puriteinse opvoeding natuurlijke driften verstoort: Halina Reijn, genomineerd voor de Theo d'Or, speelde Lavinia, een jonge vrouw die door haar strenge opvattingen over seks en overspel in conflict kwam met haar eigen erotische verlangens. En daardoor gevaarlijk werd. Ook de figuren in Johan Doesburgs versie van Demonen onderdrukten iets. Ze waren er in elk geval vreselijk bang voor: voor warmte, intimiteit en toegewijde liefde. Het is een thema dat het moderne theater lijkt te domineren: het onvermogen om lief te hebben, met angst en eenzaaamheid als treurige gezellen.

En juist daar, op het neuralgische punt van onze samenleving, zou het theater van het onvermogen kunnen omslaan in een theater van de utopie, een theater van de toekomst. Een visionair theater dat op basis van een analyse van deze wereld een andere wereld ontwerpt. Lavinia, voor even niet door fatsoensrakkerij verstikt, droomt er hardop van: ,,Er hing daar iets geheimzinnigs, iets prachtigs – een goede geest – van liefde – die opsteeg uit het land en de zee. Het deed me de dood vergeten. Daar was geen hiernamaals. Daar was alleen de warme aarde in het maanlicht – de passaatwind in de kokospalmen – de branding op het rif – de vuren in de nacht en het bonzen van de trommel in mijn hart – de bewoners van de eilanden die naakt en onschuldig dansen – zonder kennis van zonde!'' Een beeld van het aardse paradijs zit in ons allemaal; we verlangen naar niets zo terug als naar de Hof van Eden en we leven er hoopvol naartoe. Maar ook wij post-puriteinen zijn meesters in het onderdrukken. We hebben geleerd dat je nergens meer op hopen mág. Dat je nergens meer in mag geloven, en zeker niet in een verbetering van de mens, of van de omstandigheden. We hebben geleerd, niet geheel ten onrechte, dat je wereldverbeteraars ten diepste moet wantrouwen, net als profeten, visionairen, revolutionairen, ideologen en predikers. We hebben gezien hoe de utopieën van christendom, fascisme en communisme uitliepen op totalitaire wurgsystemen en in die val willen we niet nog eens trappen. Dus verdringen we onze dromen. Zelfs in de kunst, die toch een vrijplaats voor dromen zou moeten zijn.

Dromen houden je niet in slaap maar juist klaarwakker. Zonder voorstellingen van hoe het leven zou kunnen zijn is er geen vooruitgang, maar alleen nog achteruitgang, verval en dodelijke vermoeidheid. Het is verfrissend om naar Frank en Katharina en toch ook naar de soms lucide Lavinia te kijken als naar schepsels uit een achterlijke tijd, toen men nog door duisternis werd omgeven. Toen hij nog gevangen zat in een nachtmerrie van angst en haat, van leed en strijd, van eenzaamheid en sociale ontwrichting. De barbaar, zoals Michel Houellebecq ons beziet in zijn visionaire roman Elementaire deeltjes.

Kies een punt ergens in de nabije toekomst en observeer de barbaar van nu met mededogen en met distantie. Kijk niet op hem neer, maar kijk verder: `Waarvan muziek de mensen van vroeger soms een voorgevoel kon geven / Dat brengen wij in praktijk in ons dagelijks leven / Wat zij beschouwden als een onbereikbare realiteit/ Is voor ons een heel eenvoudig, vanzelfsprekend feit.' Zegt Houellebecqs Nieuwe Mens omstreeks het jaar 2050 – of misschien is het geen mens maar een Post-Mens, een edele soort die uit de barbaar is voortgekomen. Dat waar wij nog middenin zitten is voor hem geschiedschrijving. De Nieuwe Mens (lees: Houellebecq) wijst materialisme en individualisme aan als hoofdoorzaken van de ellende waaraan de oude maatschappij bezweek. In de nieuwe maatschappij daarentegen heeft de geïsoleerde eenling plaatsgemaakt voor een met alles en iedereen verbonden wezen, klaar voor puur genot (in plaats van hebzuchtig-materialistische begeerte) en niet meer gekweld door doodsangst of de strijd tussen man en vrouw. Sekseverschillen zijn opgeheven en kunstmatige voortplanting heeft iedereen leeftijdsloos gemaakt.

Heel ver komt Houellebecq met het uitwerken van zijn toekomstideeën uiteindelijk niet, maar hij probéért het tenminste. Hoe anders dan in het theater, waar men zich voor visioenen schaamt. Toegegeven, ze hebben vaak iets kinderlijks, die sciencefiction-idylles, ze zijn niet gerijpt. De zoveelste uitbeelding van wat er al is, kost nu eenmaal minder geestkracht dan een evocatie van het nog niet bestaande en daarom is dat laatste een enorm avontuur.

Er zijn een paar theatermakers in de lage landen die al een beetje naar het nieuwe zoeken. Elementaire deeltjes werd voor toneel geadapteerd en opgevoerd door Johan Simons van ZTHollandia. Arie de Mol, van Els Inc., maakt voorstellingen met titels als Morgen gaat alles beter waarin hij zijn idealistische personages met de minder ideale praktijk van hun ideeën confronteert zonder hen voor schut te zetten. Carina Molier hoopt haar figuren door middel van geestverruimende middelen en New Age-wijsheden van hun kleinzieligheid te bevrijden en de Vlaamse groep De Roovers speelt stukken van schrijvers die in revolutie geloven terwijl zij weten dat de revolutie haar eigen kinderen opvreet.

Ook toneelgroep Oostpool voelt iets aan de horizon gloren. Voor het programmaboekje van Brel, de zoete oorlog koos het Arnhemse gezelschap een motto van Cervantes: `Je moet de wereld niet bezien zoals hij is maar zoals hij behoort te zijn.' Jeroen Willems, winnaar van de Louis d'Or, hield in de voorstelling een monoloog van een vastgelopen vrouw en zong toen liedjes van Jacques Brel óver maar ook tégen zulke in treurige sleur verzande levens: inderdaad een zoete oorlog, omdat zijn wapens bezetenheid, compassie en visie waren. Waarlijk toekomstwijzend.

Zo doemt er naast de kleinheid in het theater ook weer grootsheid op; en naast de afkeer en walging wordt er hier en daar voorzichtig plaatsgemaakt voor heroïek. Niet het militante heroïsme dat ijzeren hardheid vereist maar een hypergevoelige moed, een mengsel van medelijden en verzet, van zelfopoffering en de strijd voor een tijd waarin dat niet meer nodig is. Cyrano de Bergerac in de voor de Louis d'Or en de NRC Handelsblad Publieksprijs genomineerde vertolking van Stefan de Walle was zo'n onbaatzuchtige, gevoelvolle, tragische held, zo iemand die het geluk van anderen vóór dat van hemzelf laat gaan, en in jeugdvoorstellingen als De scheepsjongens van Bontekoe, Moeder Afrika en, alweer, Cyrano (een andere versie) zag je het ook, dat vriendschap en liefde alles overwinnen – in het jeugdtheater is er minder schroom om positief te zijn.

Het theater van de toekomst veracht de stumperds die wij nu nog zijn niet. Het heeft mededogen met ons overlevenden van barbaarse tijden – zoals wij nu mededogen hebben met de oude Grieken die nog in zoiets achterlijks als de goden of het noodlot geloofden. Het theater van de toekomst bekommert zich om onze onvermogens, maar meer nog exploreert het onze verborgen goudmijnen. Zoals de vreugde, een uiterst complexe emotie, samengesteld uit roes en helderheid, uit verbondenheid met de schepping en plezier in eigen kracht, een tinteling, eufoor en wereldkundig.