Tussen het groen priemen de ogen

Het `tuindorp' moest de arbeider op adem laten komen van zijn afstompende werk in de stedelijke fabriek. Maar tussen het groen was er ook veel toezicht om dat herstel in de gaten te houden.

De `tuinstad' was een even idyllisch als paradoxaal bijverschijnsel van de Industriële Revolutie. De arme, slecht gevoede, in krotten wonende fabrieksarbeiders moesten weg uit de steden, en gehuisvest worden in dorpse woonoorden. Daar zouden zij met hun gezinnen dagelijks op krachten kunnen komen in een gezonde, heilzame omgeving. Werken in de fabriek, wonen in het groen – ver van de vuile stad en liefst met een moestuin.

Het idee is in de tweede helft van de negentiende eeuw ontstaan: Nederlands oudste tuindorp (het Delftse Agnetapark) is van 1885. Waar het eindigde is eigenlijk niet te zeggen. Zijn moderne buitenwijken, met hun rijtjeshuizen, niet nakomelingen van het tuinstadidee? Maar de eerste decennia van de twintigste eeuw, in Nederland net als elders, waren de onbetwiste bloeitijd van het eigenlijke tuindorp. Er zijn er tientallen gebouwd, waarvan de meeste, weliswaar steeds aangepast, behouden zijn gebleven.

Bij tuindorpen ging de architectuur hand in hand met de moraal. De eerste werden gebouwd door fabrikanten die misschien het beste voor hadden met hun werklieden, maar wel helemaal zelf uitmaakten wat dat was: de bevoogding zat ingebakken in het systeem. In het Agnetapark woonde de stichter, de fabrikant Van Marken, in een grote villa te midden van zijn personeel, en kon zo hun gangen in de gaten houden. Vrijwel altijd waren er strenge regels voor de `bewoning'. Alcohol was verboden, huwelijken mochten slechts met goedkeuring van de baas worden gesloten, om nog te zwijgen van de verplichting om boodschappen te doen bij de bedrijfswinkel (die geen krediet gaf). In de veenkolonie Griendtsveen in de Peel, die Harm Jan Korthals Altes in zijn boek Tuinsteden. Tussen utopie en realiteit tot de vroege tuindorpen rekent, moest de dokter zelfs verslag uitbrengen aan de directeur over zijn patiënten.

Ook discussies over de bouwkunst van tuindorpen hebben altijd een morele ondertoon. Waar sommigen meenden dat arbeiders betere mensen zouden worden in traditioneel ontworpen huisjes in het groen, daar vonden anderen zo'n bouwwijze onwaarachtig. Architect Granpré Molière, die omstreeks 1916 aan het fraaie tuindorp Vreewijk in Rotterdam werkte, twijfelde zelf of je zo nog wel mocht bouwen. Zijn modernistische vakgenoten spraken van een `vlucht' uit de realiteit van het stadse leven. Dat zo'n tuindorp zelf toch ook realiteit was, en dat de bewoners tevreden waren, telde niet. Deze manier van bouwen lijkt wel knus, verklaarde de sociaal-democratische leider Henri Polak in 1930: maar onze tijd is niet meer knus. Hoogbouw, dat was de toekomst – en dus goed. Het is een redenering die je, bijvoorbeeld in discussies over Vinex-wijken, driekwart eeuw later nog kunt beluisteren.

Utopie

De socioloog Korthals Altes schreef het eerste samenvattende boek over tuindorpen in Nederland. De schrijver van dit proefschrift wil, met het oog op de hedendaagse bouwpraktijk, onderzoeken of de bewoners van vroeger gebouwde tuindorpen tevreden waren en zijn, en of de idealistische doelstellingen zijn verwerkelijkt. Daarbij gaat hij in op de geschiedenis van diverse Nederlandse en buitenlandse tuindorpen. Dat deel van zijn boek is verreweg het interessantste.

Voor de definitie van de tuinstad-idealen gaat Korthals Altes te rade bij de Engelsman Ebenezer Howard (1850-1928), die in 1898 een boek schreef dat beroemd zou worden onder de titel Garden-Cities of Tomorrow. Howard is de uitvinder van de tuinstad zoals Freud de `uitvinder' van het onderbewuste is – naam en concept zijn onlosmakelijk verbonden. Dat dat concept eigenlijk ouder was, en in die tijd duidelijk in de lucht hing, wordt meestal vergeten. Het doet af aan de overzichtelijkheid van de geschiedenis.

Ebenezer Howard was een utopist, wiens plan voor een gelukkig huwelijk tussen stad en platteland een negentiende-eeuwse geest ademt. Zijn cirkelvormige ontwerp van een tuinstad is nooit zo gerealiseerd als hij het tekende: met in het midden een park, daar omheen huizen met tuinen, een fraaie boulevard, dan weer huizen met tuinen, en aan de buitenrand het groene land met daarin weilanden, boerderijen, een spoorlijn, fabrieken en nuttige instellingen. Het lijkt op de plattegronden van wereldtentoonstellingen uit die tijd, of schematische voorstellingen van de samenleving, het menselijk brein, de wereldgeschiedenis, noem maar op. Een diagram zonder verwijzing naar de rommelige, tastbare wereld.

Het is dan ook curieus dat de socioloog Korthals Altes zijn hele boek ophangt aan Howards ideeën. Hij beschrijft, in het licht daarvan, de ontwikkeling van tuinsteden en -dorpen in Engeland en Amerika. Dan stapt hij over naar Duitsland, Oostenrijk en Zwitserland (waarom niet Frankrijk of Italië?). Vervolgens gaat hij Howards plan te lijf met een grote batterij sociologische literatuur. De uitkomst is een schema, met behulp waarvan hij wil bezien of, en hoe, de Nederlandse tuindorpen aan Howards idealen voldeden. Zo toetst hij telkens de mate van zelfvoorziening, zelfbestuur, sociale integratie, de woningdichtheid en de functie van de natuur rond de huizen.

Het eerste probleem daarbij is dat Howard schreef over de tuinstad, terwijl in Nederland alleen tuindorpen zijn gebouwd, op een totaal andere schaal (zelden meer dan een paar honderd woningen, terwijl Howard aan 30.000 inwoners dacht). Daarom heet dit boek Tuinsteden, terwijl het over tuindorpen gaat. Het enige Nederlandse tuinstad-ontwerp, het plan uit 1926 van de Amsterdamse wethouder De Miranda voor een tuinstad midden in het Gooi, komt in het boek niet voor. Zelfvoorzienend zijn Nederlandse tuindorpen nooit geweest, en ook als zij door woningbouwverenigingen waren gesticht, was van Howards directe zelfbestuur weinig te bespeuren.

Knus

Het tweede probleem van deze schematische benadering is dat er veel ongenoemd blijft. Over de architectuur van tuindorpen, de stijl, vorm en indeling van de huizen, schrijft Korthals Altes praktisch niets. De beweegredenen van de stichters komen nauwelijks ter sprake, en of zij Howards boek kenden vermeldt hij niet, terwijl hij er wel hun scheppingen aan toetst. Aan de debatten over tuindorpen gaat hij voorbij. Zijn beschrijving van de stedenbouwkundige opzet ervan blijft zeer elementair. Het gaat hem niet om hoe het was, hoe het gegaan is, maar om het `toetsen' van een model. Om ook iets over het heden te kunnen zeggen heeft hij gesproken met bewoners van enkele tuindorpen, en enquèteformulieren verspreid.

De uitkomst was te voorzien: mensen wonen graag in tuindorpen. Zij waarderen niet alleen de omgeving, het vele groen in de buurt (mits het onderhouden wordt) en de besloten, `knusse' manier van bouwen. Maar ook de sociale cohesie telt mee. Men kent elkaar en maakt een praatje, helpt elkaar of organiseert buurtfeesten, en dat waarderen de bewoners.

Dat laatste vindt Korthals Altes belangrijk. Hij laakt het feit dat hier en daar in Nederland wijken worden gebouwd waarvan beweerd wordt dat het tuinsteden of -dorpen zijn, maar waarbij alleen de uiterlijke vorm in die richting wijst. Nee, zegt hij, er zijn constructies denkbaar waarbij ook in de geest nieuwe tuindorpen kunnen ontstaan, bijvoorbeeld als particuliere opdrachtgevers de handen ineen slaan, of groepen bewoners besluiten een `woondomein' te stichten.

Een boek over de geschiedenis van tuindorpen is dit proefschrift helaas slechts zeer ten dele. Het rijke, veelkleurige verleden dient hier vooral voor conclusies voor het heden die – hoe nuttig ook – wat deze lezer betreft wel met minder omhaal hadden kunnen worden bereikt. De geschiedenis van het Nederlandse tuindorp moet nog worden geschreven.

Harm Jan Korthals Altes: Tuinsteden. Tussen utopie en realiteit. THOTH, 240 blz. €27,50