Stenen brood, stinkend vlees

Waarom gaat een mens eigenlijk op reis, zo peinsde de Haarlemse chirurgijn Wouter Schouten in 1676. Er is kennenlijk een krachtige begeerte waardoor de mens op drift raakt, zijn rustige leventje verlaat en belandt in een gebied vol onzekerheden. Zoete weelde wordt tot een bitter verdriet, land verandert in zee, vrijheid in slavernij, frisse lucht in een benauwd en smerig schip, het bed in een plank, wijn in water, brood in steen en geurig voedsel in stinkend vlees.

Schouten wist waarover hij het had toen hij deze gedachten aan het papier toevertrouwde. Tussen 1658 en 1665 had hij de Verenigde Oostindische Compagnie gediend als chirurgijn en in die jaren had hij heel Azië bereisd. Hij diende op Java, op de Molukken, op Ceylon en in Arakan (Birma). Hij had de verovering van Makassar meegemaakt, de Oost- en de Westkust van India bezocht en zowel militaire acties meegemaakt, ellendige zeereizen als periodes van vreedzaam chirurgeren op een handelspost. Na zeven jaar was het genoeg en keerde hij terug naar het vaderland. Kort daarna moet hij aan het schrijven van zijn herinneringen zijn begonnen. In 1676 verscheen zijn Oost-Indische Voyagie. Het was een onmiddellijk succes. Er volgden drie herdukken en vertalingen in het Duits en het Frans. Dit informatieve, geestig en beeldend geschreven boek is in een hertaalde editie nu weer integraal verkrijgbaar, compleet met de oorspronkelijke gravures, een inleiding door de Neerlandica Marijke Barend en verklarende noten.

Schoutens succes is goed te begrijpen en deze nieuwe editie is volledig terecht. Hij was de eerste VOC-werknemer die zo uitvoerig en op zo'n knappe manier zijn persoonlijke belevenissen wist te vermengen met feitelijke informatie over de landen die hij heeft bezocht. Hij is sterk in zijn compositie waarin het persoonlijke en het bespiegelende vakkundig wordt afgewisseld door het informatieve en het dramatische. Zijn stijl is fris en komt uitstekend tot zijn recht in de hertaling door Michael Breet.

Schouten voert zichzelf op als de nieuwsgierige reiziger. Die nieuwsgierigheid was oprecht en geen retorische frase. Hij had zijn Indische jaren immers ook kunnen slijten in Batavia, maar nee, hij moest er telkens op uit. Waar hij ook komt, in welk fort, op welke handelspost, op welk eiland ook, hij trekt er altijd op uit, bestudeert de geografische omstandigheden, bewondert flora en fauna en noteert uitvoerige inlichtingen over de cultuur van de Chinezen, de Ambonezen, de, Indiërs, de Perzen en vele andere volkeren. In zijn beschrijvingen van die Aziatische culturen is Schouten genuanceerd. Moslims en heidenen (hindoes en boeddhisten) hangen in zijn ogen natuurlijk het verkeerde geloof aan, maar Schouten laat niet na zijn bewondering voor hun cultuur (bouwkunst, kleding, kookkunst, voorkomendheid) te benadrukken als hij daar aanleiding toe vindt en mag hier en daar ook nog wel eens opmerken dat de christenen minder hoogstaand zijn dan ze wel voorgeven. Van een consequente vooringenomenheid was geen sprake.

Na zijn terugkeer heeft Schouten nog jaren als praktiserend chirurgijn in Haarlem geleefd. Hij overleed in 1704 en werd daar begraven in de Grote Kerk. Zijn grafsteen ligt daar nu nog. We mogen de bezorger en de uitgever dankbaar zijn dat zij dit papieren monument voor hem hebben opgericht.

Wouter Schouten: De Oost-Indische Voyagie. Hertaald door Michael Breet. Walburg Pers, 544 blz. €44,95