Ruimen

De grootouders zijn in 1922 (hij) en 1935 (zij) overleden en begraven, en de vraag is of hun gezamenlijke graf geruimd moet worden. We noemen het `ruimen', wat iets vriendelijker klinkt dan het in de eerste plaats is, namelijk opruimen. Weg ermee, wie kijkt er nog naar om?

Het gaat gelukkig niet om míjn grootouders, maar die van mijn vrouw. Daarom mag ik me er alleen vanuit de verte mee bemoeien, wat wel zo veilig is. Voor het eerst van mijn leven ben ik een soort consultant, een vage, helaas nog onbezoldigde adviseur.

Enkele neven schreven ons dat er binnenkort een beslissing moet vallen. De gemeente vraagt 432 euro voor een verlenging van de grafhuur van tien jaar. Is het de familie dat waard? Het graf wordt ongetwijfeld nog maar matig bezocht, veel familieleden zijn er nooit geweest.

Lastige kwestie, als je erover gaat nadenken.

Je eerste impuls is: doe maar weg. Maar dan besef je dat het gaat om het laatste stoffelijke bewijs van de aanwezigheid op aarde van grootouders het bestaan van al die nazaten even niet meegerekend. Financieel is er geen bezwaar: omgeslagen over alle familieleden is 432 euro een flutbedrag. Maar heeft het enige zin als er toch vrijwel niemand het graf bezoekt?

We besloten het graf op te zoeken. Nu het nog kon. Het ligt op de Algemene Begraafplaats in Venlo, de woonplaats van de grootouders. Een stemmige, boomrijke begraafplaats, aan de rand van de stad. In de verte hoor je het gerommel van drukke verkeerswegen, maar daar hoef je geen last van te hebben, als je maar diep genoeg onder de grond ligt.

De aanwijzingen van de neven klopten, we vonden het graf vrijwel meteen. Daar lagen ze, Gerard (1861-1922) en Anna (1867-1935). Gerard, een tuinder, was te vroeg overleden, wat betekende dat de oudsten lange tijd de zorg van het grote gezin (acht kinderen) op zich moesten nemen. De oudste zoon, de vader van mijn vrouw, heeft er zijn huwelijk jarenlang voor uitgesteld.

Mijn vrouw heeft haar grootouders nooit gekend. Toch was het wel even een moment, daar bij dat graf. Met die mensen is het voor haar gevoel zo ongeveer allemaal begonnen. Ze kent de verhalen over hen, ze herinnert zich dat haar ouders, inmiddels ook allang dood, met liefde over hen praatten.

Het graf lag er slecht onderhouden bij, zoals zoveel oude graven er omheen. Hoe ouder een graf, hoe meer onkruid. We maakten een wandeling over de dodenakker. Her en der waren grote plekken vrijgekomen, want het crematorium is een belangrijke concurrent geworden. Af en toe moest ik even mijn adem inhouden. Dan kwam ik een grafzerk tegen van iemand die ik lang geleden gekend had.

Opeens zag ik zelfs de naam van mijn eerste journalistieke leermeester, Cor Deneer (1917-1976), en meteen rees hij voor me op als in zijn beste dagen, die zwijgzame, toegewijde redactiechef, een monument van journalistieke integriteit. Ik zag hem weer binnenkomen voor de nachtdienst, in zijn eeuwige coltrui, aktetasje in de hand.

Zijn graf lag er nog goed bij. Zó moet een graf er uitzien, anders heeft het geen zin, zeiden we tegen elkaar. We liepen nog even door. Wie lag daar nou weer? Mijn hemel. Het werd tijd dat we gingen.