Ratten in de botervloot

Boris is een monster. Zijn gelaat is overdekt met littekens, zijn linkeroog is zo uitgepuild dat het als een ei in zijn gezicht lijkt te liggen, zijn mond is uitgescheurd, tanden of haren heeft hij nauwelijks. Van binnen is deze zeventienjarige niet veel mooier; hij wordt gedreven door een diepe haat tegen zijn halfbroer Carl, die wel een schoonheid is. En de kroonprins bovendien, want Jeuk, de tweede roman van de Vlaamse schrijfster Saskia de Coster is een onheilspellend sprookje dat zich goeddeels afspeelt in het kasteel van waaruit de vader van Carl en Boris een koninkrijkje bestiert, waarschijnlijk ergens in de zestiende eeuw.

Jeuk begint met een fenomenaal beschreven rattenplaag in het kasteel: `Met hun lange vette staarten slingerden ze de marmeren trappen op en ze voegden zich bij de ratten die zich door tochtgaten, afvoerbuizen en lichtroosters hadden neergelaten en vanachter de borstbeelden in de gang, vanonder de zetels in de leeskamer te voorschijn kwamen of opdoken op de kaptafels van de hofdames op de eerste verdieping en in de botervlootjes van de dinerzaal.' De koning houdt lang vol dat de plaag van voorbijgaande aard zal zijn, maar laat tenslotte zijn bastaardzoon Boris uit diens verblijf in de kasteelkelders komen om de ratten aan te pakken. Op even ingenieuze als onorthodoxe wijze slaagt deze daarin – zijn intelligentie en wrede cynisme houden gelijke tred met zijn lelijkheid.

Eén rat overleeft en dat is de rat tegen wie Boris vervolgens spreekt alsof het een mens is. Hij beschouwt het dier als de drijvende kracht achter zijn daden: `Voor Rat op het kasteel was, verdronk ik in wanhoop. Nu word ik door Rat voortgedreven.' Boris tweede oogappel is eigenlijk bestemd voor zijn broer Carl: de tienjarige Ada. Zij is dochter van rijke handelaren in de stad en voorbestemd om met de kroonprins te trouwen. Maar ook de bastaard houdt van haar, of meent van haar te houden en wat de koning precies met haar wil is ook niet helemaal duidelijk. In Boris' woorden: `De koning, zijn zoon en zijn bastaardzoon cirkelen eindeloos als planeten om u heen. Neem de zon weg en de planeten slaan op drift. Neem een planeet weg en er verandert weinig.'

Uiteindelijk zal in Jeuk vrijwel álles ten onder gaan. Door de manipulaties van Boris, die in staat is zowel ratten als mensen tot een vorm van zelfdestructie te verleiden, maar ook doordat de ratten het hele kasteel met uitheemse ziektekiemen besmet hebben. Een mysterieuze ziekte lijkt allen van binnenuit weg te vreten.

Al in haar twee jaar geleden verschenen debuutroman Vrije val toonde Saskia de Coster een grote belangstelling voor ziektes, verminkingen en wreedheden die surreëel aandeden. Zo bevonden de hoofdpersonen van dat boek zich gevangen op het dek van een schip, alwaar een van de twee mensetende vogels van haar reusachtige achterwerk liet eten. Het leverde De Coster enige faam op en zelfs een uitverkiezing door het Vlaamse blad Humo en De Groene Amsterdammer als `een van de beste Nederlandstalige schrijvers onder de 35 jaar'. Dat was veel eer, want Vrije val was weliswaar eigenzinnig, maar leed ook aan een overdosis bizarre invallen, waarbij je al gauw door de bomen het bos niet meer zag. Je kreeg stellig de indruk dat de auteur het resultaat na aanvankelijke voltooiing niet goed meer had nagelezen.

Jeuk is veel beter: de opzet is helder, het verloop is strakker en de beklemmende sfeer weet De Coster beter vast te houden. En met de bastaard Boris heeft ze een kwade genius geschapen die er zijn mag. Toch is Jeuk niet helemaal geslaagd. Dat is in de eerste plaats te wijten aan het rommelige verloop van het verhaal, waarin de verschillende episodes op grove wijze aan elkaar zijn gezet. Bovendien komen de drie andere hoofdpersonen in het boek – Carl, Ada, en de koning – niet echt uit de verf. Vooral in het geval van de kroonprins is dat jammer. Hij is een goedhartige sukkel die op geen enkele wijze opgewassen is tegen zijn broer en zijn vader. Daardoor is niet alleen de broederstrijd in De Costers drama ongelijk, maar komt ook de hele roman uit het lood te staan. Zoals een stierengevecht niet boeiend is als de stier niet krachtig genoeg is, zakt Jeuk in het tweede deel in. De kroonprins is té braaf, de weg naar de ondergang te helder.

Wat De Coster precies heeft willen uitdiepen in haar wrede sprookje is dan ook niet echt duidelijk. Je kunt de strijd van Boris zien als de geest die tegen het lichaam strijdt (eerst het eigen en dan de lichamen van de anderen), waarbij de geest nu eens een kwade geest is. Of je kunt de komst van de ratten en de ondergang van het koninkrijk zien als symbool voor de neergang van een maatschappij. Of als een studie naar hoe een slecht mens wel in staat kan zijn anderen te laten haten, maar niet in staat is mensen van zich te laten houden. In geen van die thema's – en er is ongetwijfeld nog een handvol te bedenken – heeft ze zich echt vastgebeten, waardoor Jeuk je, als de ratten na twintig pagina's zijn verdwenen, niet meer echt de kriebels geeft.

Saskia de Coster: Jeuk. Bert Bakker, 124 blz. €14,95

    • Arjen Fortuin